Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

episode - (op zichzelf staande gebeurtenis in een verhaal of reeks)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

episode zn. ‘op zichzelf staande gebeurtenis in een verhaal of reeks’
Nnl. episode ‘id.’ [1824; Weiland], episoden (mv.) ‘id.’ [1854; WNT verdichtsel].
Al dan niet via Frans épisode [1637; Rey] (eerder als episodie [15e eeuw; Rey]) ontleend aan Grieks epeisódion ‘wat toegevoegd is’, onzijdige vorm van het bn. epeisódios ‘toegevoegd, extra’, gevormd uit het voorzetsel epí ‘bij’ (zie → epidemie), eis ‘naar’ en hodós ‘gang, weg’.
Oorspr. was het de aanduiding voor de dialogen die in de Griekse tragedies tussen de koren werden toegevoegd. Toen de dialoog een steeds grotere rol ging spelen, werd de episode steeds meer tot (integraal) onderdeel van het verhaal. In het Nederlands wordt episode zelfs gebruikt als ‘onderdeel van een vervolgverhaal’, dat in zo'n geval dus uit louter episodes bestaat.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

episode [op zichzelf staand deel] {1824} < frans épisode, van grieks epeisodion [de dialoog tussen de koorlieden in het drama, lett.: dat wat van buiten bij iets komt], van epi [bij] + eis [naar, naar … in] + hodos [weg, pad, straat].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

episode znw. v., in de 18de eeuw < fra. épisode < gr. epeisódion vakterm van het toneel: ‘ingeschoven handeling tussen twee koorgezangen’, eig. omdat de toneelspelers dan weer op het toneel opkwamen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

episode s.nw.
Voorval wat deel van die verhaal of reeks gebeurtenisse uitmaak.
Uit Ndl. episode (1824) 'op sigself staande deel'.
Ndl. episode uit Fr. épisode uit Grieks epeisódion (ep-eis-ódion), lett. '(dit) wat van buite na binne kom', met lg. uit epi 'by', eis 'na ... in' en hodos 'weg, pad, straat'.
Die woord is ontleen aan die Griekse toneel. Nadat die toehoorders deur die voorspel op hoogte gebring is van die onderwerp, raak die knoop van die drama steeds ingewikkelder in episodes. Hierdie gedeelte was die rykste aan treffende besonderhede.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

episode ‘op zichzelf staand deel van verhaal of gebeurtenis’ -> Indonesisch épisode ‘op zichzelf staand deel van verhaal of gebeurtenis’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

episode op zichzelf staand deel van verhaal of gebeurtenis 1824 [WEI] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal