Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

epidemie - (wijd heersende, besmettelijke ziekte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

epidemie zn. ‘wijd heersende, besmettelijke ziekte’
Mnl. in Dit onghemac ... es gheheten epyduyma [lees epidimia], dat deen vanden anderen sterft ‘deze ziekte wordt epidemie genoemd, waarbij de een door toedoen van de ander sterft’ [ca. 1400; MNW]; vnnl. epidimie [1577; Werve].
Al dan niet via Frans épidémie [ypidime ca. 1256; Rey] ontleend aan middeleeuws Latijn epidemia < Grieks epidēmíā ‘verspreiding’, dat behoort bij het bn. epidḗmios ‘verspreid onder het volk’. Het eerste lid van dit woord is het voorzetsel epí, dat vele betekenissen heeft, zoals ‘op, bij, naast, naar, in, na, tijdens’, maar die enigszins samen te vatten zijn als ‘bij’. Het tweede lid, dḗmios, is het bn. bij dẽmos ‘volk’ zoals in → demagogie, → democratie.
Grieks epí is verwant met Latijn ob ‘naartoe, tegenover’ en Sanskrit ápi ‘bij; ook’, uit pie. *epi, *opi.
Al bij de Grieken werd het woord gebruikt om aan te geven dat een besmettelijke ziekte zich onder alle mensen verspreidde.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

epidemie [volksziekte, plaag] {epidimia 1400} < middeleeuws latijn epidemia, van grieks epidèmios [epidemisch], gebruikt door Hippocrates. De oorspr. betekenis was ‘in het volk, inheems’, van epi [bij, in] + dèmos [land, volk].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

epidemie

Hoe sterk een woord van betekenis kan veranderen, is te zien aan het woord epidemia dat in het Grieks voorkwam in de betekenis: verblijf, bezoek en in het bijzonder: familiefeest, gevierd wanneer iemand behouden van een reis was teruggekeerd. Het Griekse woord wordt gevormd door het zelfstandige naamwoord demos: volk en epidemos betekent dus letterlijk: onder het volk verspreid. Ook epidemios kwam voor in vrijwel dezelfde betekenis, maar betekende ook: als vreemdeling aankomend. Later is men deze laatste betekenis ook gaan toepassen op ziekten en speciaal op besmettelijke ziekten die niet inheems zijn, maar in een streek velen tegelijk aantasten en dan weer verdwijnen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

epidemie znw. v., mnl. epidimia < lat. epidēmia, als medische term < gr. epidēmía nósos ‘in het volk verbreide ziekte’, vgl. epidēmíos ‘in het volk verbreid’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

epidemie s.nw.
1. Besmetlike siekte wat hom vinnig uitbrei en na 'n ruk weer verdwyn. 2. Iets onaangenaams wat baie alg. voorkom.
Uit Ndl. epidemie (Mnl. epidimia).
Ndl. epidemie uit Fr. épidémie, Mnl. epidimia uit Latyn epidimia uit Grieks epidèmios 'epidemies', gebruik deur Hippocrates; die oorspr. bet. 'in die volk, inheems' uit epi 'by, in' en dèmos 'land, volk'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

epidemie (Latijn epidemia)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

epidemie ‘besmettelijke ziekte, plaag’ -> Indonesisch épidémi ‘besmettelijke ziekte, plaag’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

epidemie besmettelijke ziekte, plaag 1400 [MNW] <ME Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut