Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

enten - (een loot op een andere boom bevestigen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

enten ww. ‘een loot op een andere boom bevestigen’
Mnl. enten ‘id.’ [1240; Bern.]; vnnl. inten, enten in Hoe eenen boom alder best es ghehindt ‘hoe men een boom het best kan enten’ [1555; WNT].
Oude ontlening aan Oudfrans enter ‘id.’ < Latijn imputāre ‘enten’ < Grieks emphuteúein ‘enten, inplanten’, met en (zie → energie) gevormd bij phuteúein ‘planten’. Voor de combinatie van nasaal + medeklinker verschijnt -e- vaak als -i-, vandaar de vormen met -i- die tot in de 16e eeuw voorkomen.
Ohd. imphōn ‘planten’ [12e eeuw; Pfeifer], anaimphōn ‘instoppen’ [9e eeuw; Pfeifer] (mhd., nhd. impfen ‘enten’); oe. impian (ne. imp); nzw. ympa.
Het woord is beperkt tot het Nederlands en het Rijnlands en heeft zich mogelijk vanuit Brabant verspreid. Met de fruitteelt die in de vroegmiddeleeuwse kloosters bloeide (resulterende in oude Latijnse leenwoorden als → kers 1 en → peer) is de techniek van het enten vanuit het Middellandse Zeegebied naar ons gekomen en voor het eerst op Germaans gebied genoemd als Latijn impotus ‘ent, loot’ in de Lex Salica, een in het Latijn geschreven Oudfrankische wet uit de 6e eeuw (handschrift 8e/9e eeuw). Het Duits heeft impfen rechtstreeks aan het Latijn ontleend.
Lit.: Frings 1966, 155; Frings 1968, 276-285

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

enten [een loot op een andere boom bevestigen] {enten, inten 1201-1250} < frans enter [idem] < latijn imputare [snoeien, enten], van in [in] + putare [al snijdend schoonmaken], verward met grieks emphuteuein [enten], van en [in] + phuteuein [planten], van phuton [plant].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

enten ww., mnl. enten, mnd. enten < vulg. lat. imputare < gr. emphuteúein. Andere ontleningen zijn ohd. impfōn, oe. impian (ne. imp). Het woord is reeds voor de hd. klankverschuiving overgenomen en wel als vakterm van de druiven- en ooftteelt; later kwam het opnieuw in het ohd. als impitōn (vgl. zwabisch impten, imten). — Zie ook: poten.

Met de nederl. kolonisatie in Brandenburg werd het woord daarheen overgeplant, waar het optreedt in de vorm enken (vgl. H. Teuchert, Die Sprachreste 1944, 236-239), die uit een zuidnl. dialect zal zijn overgenomen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

enten ww., mnl. enten. Evenals mnd. enten uit fr. enter “enten” en dit uit vulgairlat.-rom. imputâre “enten”. Dit is ook direct door eenige wgerm. talen ontleend, wsch. reeds vóór de 7de eeuw, wellicht tegelijk met vruchtnamen als kers I, pruim: ohd. impfôn (nhd. impfen), ags. impian (eng. to imp). Niettegenstaande den opvallenden wegval der t moet ohd. impfôn direct uit imputâre afgeleid en niet eerst als een secundaire vorm bij ’t synonieme ohd. impitôn beschouwd worden. ’t Laatste is veeleer een jongere ontl.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

enten. Vgl. poten Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ent v., Mnl. ente, uit Fr. ente, en enten uit Fr. enter, Ofra. empter, van Mlat. imputare = snoeien, enten, saamgest. met klass. Lat. in (z. in 1) en putare = snoeien, snijden (z. poetsen) – Hgd. impfen, Eng. to imp, gaan rechtstreeks op het Mlat. terug, maar het is niet duidelijk hoe.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1ent ww.
1. Oorplant op 'n ander plant. 2. (fig.) Laat voortgroei op iets anders. 3. 'n Entstof toedien om siekte te voorkom. 4. 'n Bakterie of swam in 'n steriele voedingsbodem bring vir voortplanting en vermeerdering.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. enten (al Mnl.). Bet. 3 en 4 het eers in 1908 in Ndl. ontwikkel, wsk. dieselfde tyd ook in Afr. Reeds by Van Riebeeck (1651 - 1662) in bet. 1.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

enten ‘een loot op een andere boom bevestigen’ -> Duits dialect enten, enken, anken ‘een plantenstekje afnemen en potten, veredelen’; Indonesisch (meng)énten ‘een loot op een andere boom bevestigen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

enten een loot op een andere boom bevestigen 1240 [Bern.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut