Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

enorm - (bijzonder groot)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

enorm bn. ‘bijzonder groot’
Mnl. enorm ‘bovenmatig’ [1477; MNHWS]; vnnl. enorm ‘buitensporig’ in om heuren enormen delicten ‘vanwege hun enorme misdaden’ [1565; WNT], enorm o.a. ‘groot’ [1577; Werve].
Ontleend aan Frans énorme ‘bijzonder groot’ [1340; Rey] < Latijn ēnōrmis ‘id.’, eigenlijk ‘van de norm afwijkend’, gevormd uit → ex- ‘uit-’ en het zn. nōrma ‘norm, regel’, zie → norm.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

enorm [bijzonder groot] {1477} < frans énorme < latijn enormis [onregelmatig, bovenmatig groot, monsterachtig], van ex [uit] + norma [winkelhaak, richtsnoer, regel], lett. dus ‘buiten de regels’ (vgl. norm).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

enorm bnw., reeds mnl. enorm < fra. énorme of lat. enormis. Het is mogelijk, dat nnl. enorm opnieuw uit het fra. ontleend is (FW 157).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

enorm bnw., reeds mnl. (Mnl Handwdb.). Uit fr. énorme of lat. ênormis. Wellicht is nnl. enorm het ten tweeden male ontleende fr. énorme.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

enorm b.nw.
Besonder groot, baie, geweldig.
Uit Ndl. enorm (al Mnl.).
Ndl. enorm uit Fr. énorme uit Latyn enormis 'onreëlmatig, buitengewoon groot', met lg. uit ex 'uit' en norma o.a. 'rigsnoer, reël', dus lett. 'buite die reëls'.

2norm s.nw. (ongewoon) Ook norring.
Groot aantal, baie.
Verkorting van enorm. Eerste optekening in Afr. in 1867 in die vorm norm en in 1872 in die vorm norring (Scholtz 1965: 124), met lg. ook by Mansvelt (1884).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

norring: baie; groot; skare; gemeensame vorm v. Ndl./Afr. enorm, Eng. enormous, Fr. énorme uit Lat. enormis (uit e(x), “uit”, en norma, “standaard”, m.a.w. “uitermate”); by Scho TWK 14, 1, p. 24 vb. v. norm/norreng/norring uit 1867, 1872 en 1884.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

enorm (Frans énorme of Latijn enormis)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

enorm bijzonder groot 1477 [HWS] <Frans of Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut