Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

enkel - (voetgewricht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

enkel 1 zn. ‘gewricht dat voet met been verbindt’
Mnl. ankel, enkel, inkel ‘enkel’, vgl. Sinen rock, die tot sinen inckel ghinc ‘zijn mantel die tot zijn enkel reikte’ [1477; MNW]; nnl. ankel, enkel ‘id.’.
Mnl. enkel en inkel zijn verwant met mnd. enkel ‘id.’; ohd. enchil ‘id.’; met umlaut uit de stam pgm. *ankila- ‘enkel’. Mnl. ankel met ohd. anchala ‘id.’; on. ökkla; < pgm. *ankalō-. Beide zijn vormen met een achtervoegsel -il- resp. -al- bij pgm. *ankō ‘gewricht’ (vgl. ohd. ancha ‘nek’).
Buiten het Germaans zijn verwant Latijn angulus ‘hoek’; Oudkerkslavisch ǫgŭlŭ ‘hoek’ (Russisch ugol ‘id.’); bij de wortel pie. *h2eng- ‘buigen’ (IEW 45).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

enkel1* [voetgewricht] {ankel, enkel 1351-1400} oudhoogduits anchal, anchlao, middelengels ancle, anclowe, oudnoors ǫkla; buiten het germ. latijn angulus, oudkerkslavisch ǫgŭlŭ [hoek], oudindisch aṅguli- [vinger], met l gevormde verkleiningsvorm van een woord oudhoogduits ancha, enche [schenkel], oudindisch aṅga- [lid].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

enkel 1 znw. m. ‘deel van de voet’, mnl. ankel, maar Kiliaen enckel uit germ. *ankila, *ankala, vgl. mnd. enkel, ohd. anchal, enchil (nhd. enkel), owfri. anckel. Daarnaast germ. *ankilan, ankulan in ohd. anchula, anchila, on. ǫkla o., ǫkli m. — Een afl. van ohd. ancha, enche ‘schenkel, beenpijp’ (> fra. anche ‘buis’ ). — lat. angulus ‘hoek’, osl. ągŭlŭ ‘hoek’, oi. anguli, anguri ‘vinger’, afgeleid van oi. ánga- ‘lid’, idg. wt. *ang- naast *ank- (waarvoor zie: angel) (IEW 45-47). — Het woord betekent dus: ‘buiging van het been bij de voet’.

Een andere naam is mnl. anclau, ancluw, anclief, nnl. dial. anklāw (o.a. Urk), anklēw (Zaans), ienk(e)lōw (Zeeuws), ohd. anchlāo, ofri. onclē(w), oe. anclēow, onclēow (ne. ankle). — De vorming van dit woord is niet duidelijk. Men heeft willen ontleden in *anka-klawa en het 2de lid als klauw opgevat. Of ook als grondvorm aangenomen ankl + suffix aw, (e)uw, met latere associatie met het woord klauw. Heinertz IF 35, 1915, 324 neemt voor het laatste deel een germ. *klē aan. — De in ons land gebruikte vormen zijn aangegeven op de kaart van J. Daan, Taalatlas afl. 4, 5; daaruit blijkt, dat in Zeeland en in het Westerkwartier de woorden ienklauw, anklouw gebruikt worden, in Friesland de vorm ankel en in de Zuidel. Nederl.
het woord knoesel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

enkel I znw. Kil. enckel, mnl. ankel m. Uit germ. *aŋkila-, *aŋkala-, evenals ohd. enchil (nhd. enkel), anchal, mnd. enkel, owfri. anckel, ozw. ankol m. “enkel”. Met ohd. anchala, anchila v., on. ǫkkla o. “id.”, ohd. ancha v. “nek” (= nhd. dial. anke “een soort met de voeten in beweging gebrachte hamer”, oorspr. “geleding, lid”), encha v. “schenkel, beenpijp” (uit ’t Du. fr. anche “buis”, hanche “heup”) van den idg. wortel aŋg- “buigen, hoek”, waarvan ook in andere talen nomina met l-suffix: lat. angulus, obg. ągǔlǔ “hoek”, oi. aŋgúli-, -ri- “vinger”; vgl. verder oi. áŋga “lid”, aŋguṣṭhá- “vinger”, arm. ankiun “hoek”. Verwantschap met opr. nage, obg. noga “voet” is mogelijk (wortel *aneg-), maar zeer onzeker (zie nagel). Een variant van idg. aŋg- was aŋq-; zie angel. - Naast germ. *aŋkila-, *aŋkala- bestaat een synoniem o. wgerm. znw. aŋklâwa-, ook -e(u)wa-: mnl. anclau (ancluw, anclief), nnl. dial. anklâw (o.a. Urksch), anklêw (Zaansch), ienk(e)lôw (Zeeuwsch), ohd. anchlâo, ofri. onclew, ags. onclêow (eng. ankle). Men is geneigd aan samenhang met klauw te denken. Wellicht door dissimilatie uit *aŋka-klâwa- of *aŋkal(a)-klâwa-?

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

enkel I znw. Het aan het eind van het art. vermelde ofri. woord moet on-clê(w) worden gelezen: vgl. Heinertz IF. 35, 324.
De herkomst van fr. anche ‘buis’ is veiliger ‘germ.’ te noemen; fr. hanche behoort in het geheel niet in dit verband.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

enkel 1 m. (enklauw), Mnl. enkel, ankel + Ohd. enchil (Mhd. & Nhd. enkel), Eng. ankle, Ofri. anckel, On. ọkkla (Zw. en De. ankel), met een -l- suffix van *anke + Ohd. ancha, (Mhd. anke) = enkel, schenkel, halswervel (waaruit Rom. : Mlat. anca, Fr. anche = buis, hanche = heup); daarnevens met -lw- suffix: Mnl. anclief, anclau (Nndl. enklauw) + Ohd. anchlâo, Ags. oncléow, Ofri. onkléf + Skr. aǹgam = lid, aṅguliṣ = vinger, Arm. ankiun, Lat. angulus, Osl. ągŭlŭ = hoek, verwant met angel.

enklauw m., : z. enkel 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

inkel (zn.) enkel; Middelnederlands inkel <1351-1400>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

enkel ‘voetgewricht’ -> Kupang-Maleis engkel ‘pols- of voetgewricht; verzwikt’; Menadonees èngkel ‘gewricht’; Papiaments ènkel ‘voetgewricht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

enkel* voetgewricht 1351-1400 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut