Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

engels - (van Engeland)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

Engels [van Engeland] {Engelsch 1278} < engels English, oudengels (A)englisc, van Angle, Engle [de stam der Angelen], door de Romeinen Angli, enk. Anglus, genoemd, afkomstig uit Angul [een gebied in Sleeswijk dat haakvormig is] (oudengels angul [vishaak]).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

engels bnw., mnl. engelsch, mnd. engelsch, ofri. engelsk, oe. englisc, on. enskr (< *engliskr), afgeleid van de volksnaam oe. Engle, Englan ‘Angelen’, lat. Anglii, gr. Agg(e)íloi, vgl. ohd. PN met Angil-, Engil-, afgeleid van de landnaam Angeln.

Volgens Beda kwamen de Angelen uit een klein gebied in het Oosten van Sleeswijk (nu het district Angeln). De naam wordt verschillend verklaard: A. Erdmann, SVS Uppsala 1, 1890, Nr. 1, 114 denkt aan een bet. ‘speermannen’ bij *angan ‘speer’ (vgl. het woord angones voor een frankisch wapen) en daarvan gevormd met een l-suffix evenals de volksnamen der Herulen en Wandalen. — Anders I. Lundahl, Fschr. Sahlgren 1944, 2-3, die als oude vorm *anguliōR aanneemt, dat hij verbindt met de groep van angel; de naam zou dan komen van een typische vorm van het land. — Eenvoudiger is de verklaring van de landstreek Angeln als ‘hoek’, nl. die tussen de Flensburger Föhrde en de Schlei (zo reeds R. Much, Die Germania des Tacitus 1937, 348).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

Engels o., is het bijv. Engelsch zelfst. gebr., dus = een Engelsch gewicht, Mnl. enghelsc, van Ags. Engle = Angelen, waar e = ä.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bol (de, -len), 1. allerlei kleine en grote koek-, cake- en broodachtige baksels waarvan de meeste (ook) als lekkernij gegeten kunnen worden; ze hoeven niet rond te zijn. Toen de bollen waren uitgedeeld, moesten ze [schoolkinderen op een feestdag] weer zingen van ‘O schitt’rende kleuren van Nederlands vlag’ (Schungel 1943; 1972: 102). Na de kerk moesten wij de bol rondbrengen bij de familieleden, die er allen een stuk uitknepen (Dobru 1968b: 32); hier is het een kerstbol*. - 2. wrong (dameskapsel). Het haar in grote golven. Meestal droeg ze het in een bol (Ferrier 1968: 20). - 3. als geheel bolvormig kapsel, bijv. een afrobol*. En bij het knippen van een verse bol zat hij daar, diep weggedoken in de barbierstoel waarbij niemand wist, hoe ellendig hij zich voelde (Cairo 1976: 51). - 4. ‘kop’ als aanduiding voor een persoon als het gaat om diens verstand, bijv.: Net toen meneer die lucifer uit doos pakte (), kwam die suffe bol Alexi aanlopen (Cairo 1980c: 440). - Etym.: Het gaat, althans oorspronkelijk (NB bet. 1), steeds om iets bolvormigs. Bet. 1 is in AN verouderend, maar komt nog wel alg. voor in samenst. (bijv. krentenbol, oliebol). Bet. 4 is in AN verouderend; ‘knappe bol’ is nog wel gebr. Vgl. ook het alg. gebr. ‘bolleboos’ voor een zeer intelligente persoon. - Samenst. van 1: bollebeschuit*, bollenknijpen*, bollenman*, bollenbrouw*, chocoladebol*, kerstbol*, ringbol* (1), S-bol*, struisbol*, victoriastruisbol*, vingerbol*; van 4: studiebol (Hangalampoe 1 (3): 23; 1974). Zie ook i.v.m. 1: Berliner bol*, Engelse bol*, schuine bol* (1), brood*, stel*; i.v.m. 2 schuine bol* (2), bollen* (2).
— : Berli’ner bol, kleine bolvormige bol* (1), gebakken in olie, gevuld met jam en bestrooid met poedersuiker. Het gebruik van krentenbol, Berliner bol, beschuit*, ei, garnaal en lever met een gazeuse frisdrank bij het tweede ontbijt op het werk wordt aangevoeld als een statussymbool () (Enc.Sur. 648). - Etym.: AN B.b. = een soort puddingbroodje. Zie bol* (1).
— : En’gelse bol (mv. in oudere lit. ook bolen), grote, ronde koek bestaande uit een soort fijn Moskovisch gebak. Moetje een stukje Engelse bol? vroeg ze. Of een stuk broodtaart*? (Vianen 1979: 178). - Etym.: S ingrisiboroe (ingrisi = Engels; boroe = bol). Zie bol* (1).
— : schuine bol, 1. schuin afgesneden stuk van een smal soort krentenbrood. - 2. vertikale rol van haar aan het achterhoofd, opzij van het midden (als deel van een dameskapsel). - Etym.: Zie bol* (resp. 1 en 2).

ta’jer (de, -s), 1. naam voor een inheemse zowel in het wild voorkomende als gecultiveerde voedselplant (Xanthosoma sagittifolium); bij uitbr., en dan veelal met een nadere aanduiding, tevens naam voor de inheemse Xanthosoma belophyllum, de inheemse wilde en gecultiveerde Caladium-soorten, de uit tropisch Azië afkomstige vormen van Colocasia esculenta en Alocasia-soorten, alle behorende tot de Tajerfamilie*. De Teyer is een Plant, groeijende wel drie of vier Voeten hoog; zy schiet drie of vier Bladen uit, van een hartsvormige gedaante, ter grootte van drie of vier Voeten, zacht in ’t aanraaken, doch taai. De uitspruitsels van de Wortels worden door de Blanken, en de Stam, die wel twintig of vyf-en-twintig Ponden weegt, door de Negers gegeten (Hartsinck 1770: 62); hier pomtajer*. - 2. syn. van tajerknol*, d.i. de stengelknol van een aantal tajers* (1) die veelal gegeten kan worden. De tajers dik schillen, wassen, raspen of malen (S&S 160). - 3. kort voor tajerblad* (2): z.a. Mijn man houdt niet van tajer, maar ik vind het de lekkerste groente die we in Suriname hebben. - Etym.: S taja (van Guarani ’tazja’) = id. Oudste vindpl. (in bet. 2) plak. van 1685 (S&dS 155; tijer); zie ook onder tajerblad* (3). Oudere schrijfwijzen o.m. ook tyer (Herlein 1718: 84) en teyer (zie cit. onder 1). - Zie i.v.m. bet. 1 alle volgende samenst.; mede i.v.m. bet. 2 Chinese, Engelse, grote en witte tajer*, dasin-*, finga-*, hindoe-*, kras-*, pom-* en varkenstajer*, tajerknol* en -soep*; mede i.v.m. bet. 3 tajerblad*, blad-* en krastajer*. Zie ook: tanjer*.
— : Chine’se tajer, 1. cultuurvorm van Colocasia esculenta (een tajer*, 1), met harde, wit-vlezige, onderaardse knollen. Men teelt hier in hoofdzaak drie cultuurvormen; het meeste ziet men de Chinese tajer, een 90 cm hoog gewas met bijna witte bladstelen en een licht grijsgroene, iets witbewaste bladschijf met witte nerven, die aan de bovenkant tegenover de aanhechting van de steel een wit vlekje vertoont (Ost. 251). - 2. knol van deze plant. Van de wortelknollen [niet juist, het zijn bij t. stengelknollen] worden kentang djawa, aardappel, bataat, Chinese tajer en zoete cassave* verorberd (Enc.Sur. 648). - Etym.: Van oorsprong wild in (o.m.) tropisch China.
— : Engelse tajer, 1. cultuurvorm van Xanthosoma sagittifolium, een fingatajer* (1) met gesteelde, witte, bovengrondse knollen. Binnen deze vorm [fingatajer] onderscheidt men nog; de witte of Engelse tajer, met groene stengels en witte knollen (’vingers’); de CS. [Creools Surinaams] blaka-finga-taja, waarbij stengels en bladstelen donkerpaars zijn en de knollen geel (Ost. 250). - 2. knol van deze plant. - Syn. van 1 en 2 witte tajer*.
— : grote tajer, 1. cultuurvorm van Xanthosoma sagittifolium (een tajer*, 1), met zeer grote, bovengrondse knol. - 2. knol van deze plant. De groote tajer, waarvan de stengel [stengelknol] half boven den grond groeit, wordt geraspt en met het sap van zure oranjes* behandeld, daarna met kip of visch tot een pastei gemaakt, welk gerecht bekend staat als ’pom’* (Enc.NWI 27). - Etym.: Alles aan deze plant is groot in vergelijking met de andere tajers*. - Syn. van 1 en 2 pomtajer*.
— : witte tajer, syn. van Engelse tajer* (1 en 2): z.a. - Etym.: De knollen zijn wit, in tegenstelling tot die van de verwante vorm (S blaka-finga-taja) die geel zijn. - Zie ook: fingatajer*.
— : zwarte tajer, sierplant met paarsachtige bladeren, uit tropisch Azië (Alocasia indica var. metallica), behorende tot de siertajers*. Bij A. [Alocasia] indica var. metallica Schott (S. zwarte tajer) heeft het blad een paarsachtig-bronzen tint en puntige zijlobben; deze soort bloeit geregeld en heeft een van buiten paars-met-groene bloeischede (Ost. 251). - Etym.: De naam heeft vermoedelijk betr. op de kleur van de bladeren; de andere siertajers* hebben bladeren met heldere kleuren.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

Engels ‘van Engeland’ -> Schots † ingill, engill, inglis ‘gewichtseenheid, gebruikt bij goud en zilver, 1/20 ounce’; Zweeds engels ‘gewichtseenheid, gebruikt bij goud en zilver’; Kupang-Maleis Inggris ‘van Engeland’; Negerhollands ingis ‘van Engeland’ (uit Nederlands of Engels); Creools-Engels (Maagdeneilanden) † ingis ‘van Engeland’ .

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

356. Een engelschen (of griekschen) brief schrijven.

In sommige streken verstaat men hieronder ‘een dutje doen’. Het valt niet ieder gemakkelijk een engelschen, en althans een griekschen brief te schrijven; daarvoor moet men alleen zijn, om goed te kunnen nadenken en niet gestoord te worden. Vgl. het Zaansche: een brief aan den koning schrijven; zie een tukje doen ; een uiltje knappen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut