Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

eng - (bouwland)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

eng2*, enk [bouwland] {in de vroegere Gelderse plaatsnaam Aldenenge ca. 1200?, enc, enge [bebouwd land] 1390-1440} oudsaksisch, oudhoogduits angar [ongeploegd grasland], oudengels ing [akkerland], oudnoors eng(i) [weide]; verwant zijn verder oudnoors angr [bocht, fjord], grieks ankos [dal], oudiers ing [eng]; de i.-e. stam betekende waarschijnlijk ‘buigen, welven’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

eng 1 znw. m., ook enk, in de oostel. streken gebruikt in de bet. van ‘bij een dorp behorende bouwlanden’, wat dus elders aangeduid wordt met het woord es 2. Vgl. mnl. enc ‘bebouwd veld, bouwland’, ook in de vorm eng, vgl. oe. ing ‘akkerland’ en verder on. eng v., engi o. ‘weide’; daarnaast os. ohd. angar ‘ongeploegd grasland’. Dit kan men verbinden met on. angr m. ‘bocht, fjord’, dat men wel verbindt met gr. ánkos ‘dal’, hetgeen men afleidt van een idg. wt. *ank ‘buigen’; waarschijnlijk mag men dus uitgaan van een gebogen oppervlak, in dit geval dus van de gewelfde akker op de hoge zandgronden, vgl. het onder wang opgemerkte.

J. Naarding, Driem. Bl. 10, 1958, 5 denkt aan een zelfde bet. ontw., maar het is dan niet nodig het verband met het woord eng ‘weiland’ door te snijden; ook hier kan men denken aan een ‘zacht welvend weiland’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

enk m. (bouwland), Mnl. enc, enge + Ags. inge, On. engi; met ander suffix Ohd. angar (Mhd. Nhd. anger): niet verder op te sporen.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

eng 'weide, gewestelijk ook bijeengelegen bouwland van een dorp'
Variant: enk; de combinatie -ng werd vroeger met een plofklank uitgesproken, waardoor aan het woordeinde de variant met -nk kon ontstaan. Onl. *engi, mnl. enge, enc 'weide, grasveld', gewestelijk ook 'akkerland', oe. ing 'akkerland', ono. eng 'weide', daarnaast os. ohd. angar 'grasland, weide'. De benaming eng of enk ter aanduiding van het bijeengelegen bouwland van een dorp komt in Midden- en Oost-Nederland voor, ten zuiden van een lijn die over Windesheim, Raalte, Holten, Markelo, Geesteren en Eibergen loopt. Op de zandgronden van Noord-Nederland zegt men es. De in het Nederlandse rivierkleigebied gevonden engen hebben over het algemeen een hoge ouderdom en de bewoning reikt veelal terug tot in de vroege middeleeuwen.
Oudste attestaties in plaatsnamen: 801 kopie 10e eeuw Engilandi (→ Engeland1)1, ca. 1200? Aldenenge (ligging onbekend, bij Gendt)2.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 130v, 2Idem 60.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

eng* bouwland 0801 [Künzel]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut