Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

eng - (nauw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

eng bn. ‘nauw; griezelig’
Onl. eng- ‘nauw, smal’, in de plaatsnaam Englide, letterlijk ‘smalle helling’ (ligging onbekend) [ca. 825-842; Künzel 131]; mnl. enge ‘nauw’; vnnl. enghe ‘benauwend; smal’ [1599; Kil.]; nnl. eng ‘griezelig’ [1896; WNT].
Os. engi; ohd. engi ‘eng, nauw’; ofri. ang- in angneil ‘nagelzweer’; oe. ange, ænge, enge ‘id.’; on. öngr ‘nauw, smal’ (nzw. dial ång ‘krap, nauw’); got. aggwus ‘smal’; < pgm. *angu- ‘nauw, smal’ (zie ook → angst).
Verwant zijn Latijn angere ‘benauwen’; Grieks ánkhein ‘insnoeren, wurgen’ (zie → angina); Armeens anjuk ‘nauw’; Sanskrit aṃhú- ‘nauw’; Oudkerkslavisch ozŭkŭ ‘nauw’ (Russisch uzkij); bij de wortel pie. *h2enǵh- ‘insnoeren, vernauwen’ (IEW 42).
De betekenis ‘nauw’ impliceert een gevoel van insluiting of omsluiting (waarmee nauw zich onderscheidt van het neutralere smal). Via ‘weinig ruimte latend’ en ‘benauwend’ kon zo de hedendaagse betekenis ‘beangstigend, griezelig’ ontstaan. De oude betekenis ‘nauw’ is nog te vinden in de samenstelling (zee)engte en is in de Belgische spreektaal zeer gebruikelijk, maar komt in Nederland nauwelijks meer voor. Dezelfde ontwikkeling is te zien bij het bn.naar 2, dat hetzelfde woord is als Engels narrow ‘smal’. De vormvariant (zonder i-umlaut) ang(e) is al vanaf het Middelnederlands een eigen leven gaan leiden, eerst als bijwoord in constructies als het is hem ange ‘het benauwt hem’ en in het Vroegnieuwnederlands weer als bn. met de betekenis ‘angstig, bang’, waardoor het synoniem werd met het verwante → bang (= be-ang) en in de 18e eeuw verdween. Ook → angstig en misschien → aambei zijn verwant.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

eng1* [nauw] {enghe 1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits engi, oudengels enge, oudnoors ǫngr, gotisch aggwus; buiten het germ. latijn angustus [nauw] (angina pectoris), grieks agchein [de keel dichtsnoeren], oudrussisch uzŭkŭ [eng, nauw], oudindisch aṃhu- [nauw] → aambei, angst1, bang1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

eng 2 bnw., mnl. enghe, os. engi, ohd. engi, oe. enge, on. ǫngr, øngr, got. aggwus ‘eng’, vgl. ofri. ong-neil ‘dwangnagel’. — oi. aṁhú- ‘eng’; vgl. nog gr. ágchō ‘samensnoeren, wurgen’: idg. wt. *angh ‘eng, insnoeren’ (IEW 42). — Zie verder: aambei, angst en bang.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

eng bnw., mnl. enghe (anghe, de oude bijw.-vorm in het es hem anghe “hij heeft het benauwd” e. dgl. uitdrr.). = ohd. engi (nhd. eng), os. engi, (ofri. ong-neil m. “dwangnagel”), ags. enge, on. ǫngr, øngr, got. aggwus “eng”. Dezelfde idg. u-stam in ier. cum-ung, obg. ązǔ-kǔ, arm. anju-k, oi. aṁhú- “nauw, eng”, lat. angi-portus “nauw steegje”. Vgl. nog uit andere taalgroepen gr. ánkhō “ik haal toe, worg” (= lat. ango “id.”), lit. añksztas “eng”. Vgl. aambei, angst, bang.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

eng bijv., Mnl. enghe, Os. engi + Ohd. engi (Mhd. enge, Nhd. eng), Ags. enge, On. ǫngr, Go. aggwus + Skr. aṁhuṣ = eng, Gr. ánkhein = toesnoeren, Lat. angere = beklemmen, Oier. -ang, Osl. ązŭkŭ = nauw, Lit. añksztas: Idg. wrt. anǵh (z. angst).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

ing (bn.) nauw; Aajdnederlands eng <825-842>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

eng b.nw.
1. Nou, smal, beknop. 2. Beperk, bekrompe. 3. Stremmend, drukkend. 4. Klein, intiem.
Uit Ndl. eng (Mnl. enge, anghe).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

eng ‘nauw’ -> Fries ing ‘nauw’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

eng* nauw 1240 [Bern.]

eng* griezelig 1896 [WNT zeilen I]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut