Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

energie - (werkkracht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

energie zn. ‘werkkracht’
Vnnl. energie ‘kracht’ [1658; Meijer], energi ‘volhardende geestkracht’ [1790; WNT vonk I]. Met name gebruikt als term in de natuurwetenschap sinds de 19e eeuw.
Ontleend aan Frans énergie [ca. 1500; Rey] < Laatlatijn energia ‘werkzaamheid’ < Grieks enérgeia ‘werkzaamheid’, afleiding van energḗs ‘actief, energiek’, letterlijk ‘met werk in zich’, gevormd uit en ‘in’ en het zn. érgon ‘werk’, verwant met → werk. Het Griekse voorzetsel en, als voorvoegsel ook in de vorm e- (voor l) en em- (voor stemhebbende medeklinkers en f), is verwant met Nederlands → in en betekent in het algemeen ‘in, naar binnen’ en komt ook voor in andere leenwoorden uit of op basis van het Grieks, zoals bijv.ellips, → embryo, → empirie, → enthousiast.
energiek bn. ‘vol energie’. Nnl. energiek ‘met geestkracht begaafd’ [1800; WNT]. Ontleend aan Frans énergique ‘id.’ [1584; Rey], afleiding van énergie.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

energie [veerkracht, arbeidsvermogen] {1668} < frans énergie < latijn energia < grieks energeia [werkzaamheid, het handelen, de zich openbarende kracht], van en [in] + ergon [werk].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

energie s.nw.
1. Veerkrag. 2. Arbeidsvermoë.
Uit Ndl. energie (1668 in bet. 1 en 2).
Ndl. energie uit Fr. énergie uit Middeleeuse Latyn energia uit Grieks energeia 'werksaamheid', met lg. uit en 'in' en ergon 'werk'.
Vgl. 4erg.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

energie (Frans énergie)

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Energie (Lat. energía = kracht, werking, werkdadigheid; Gr. ἐνέργεια (enérgeia) = werkzaamheid; < → en-, + ἔργον (érgon) = werk). Vermogen om arbeid te verrichten, arbeidsvermogen. Het woord energie is in de natuurwetenschap het eerst door Κepler (1571—1630) gebruikt, niet in de betekenis van ons begrip arbeid, maar toch als prestatie van de van de lichamen (aarde) uitgaande krachten. In de betekenis van arbeid werd de term het eerst gebruikt door Joh. Bernoulli (1667— 1748) in 1717 in een brief aan Varignon; in de betekenis van levende kracht het eerst door Thomas Young (1773— 1829) in 1807. In de moderne betekenis werd de term energie weer opnieuw ingevoerd in 1852 door Rankine (1820—1872) en door W. Thomson (1824—1907). De onderscheiding van → potentiële en → kinetische energie is van Rankine.

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Energie (< Gr. ἐνέργεια; < ἐνεργὀς = werkzaam; ἔργον = werk). Bij Aristoteles (384–322 v. Chr.) wordt ἐνεργεία = actueel (werkelijk) gebruikt in tegenstelling tot δυνάμει = potentieel (mogelijk). In den modernen zin van arbeidsvermogen wordt het woord algemeen gebruikt sedert Rankine (1820–1872); vóór hem werd energie gewoonlijk kracht genoemd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

energie ‘veerkracht, arbeidsvermogen’ -> Indonesisch énérgi, énérsi ‘veerkracht, arbeidsvermogen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

energie veerkracht, arbeidsvermogen 1668 [Koerbagh] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal