Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

emeritaat - (pensioen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

emeritus bn. ‘rustend (van hoogleraar of geestelijke)’
Vnnl. in Bedienaren des Goddelijcken Woordts die gaerne Emeriti verklaert waren [1658; WNT].
Ontleend aan christelijk Latijn emeritus ‘id.’, gebaseerd op klassiek Latijn emeritus ‘uitgediend, uitgediend soldaat’, verl.deelw. van emerēre, emerēri ‘uitdienen’, gevormd uit → ex-, dat voltooiing uitdrukt, en het werkwoord merēri ‘dienen’, zie → merite.
emeritaat zn. ‘rustende staat van geestelijke of hoogleraar’. Nnl. emeritaat ‘id.’ [1816; WNT]. Ontleend aan Belgisch-Frans éméritat ‘id.’ [1824; Rey], gevormd naar analogie van andere woorden op -at.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut