Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

emancipatie - (gelijkstelling voor de wet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

emanciperen ww. ‘vrijmaken, gelijkstellen’
Vnnl. emanciperen ‘vrijstellen van de ouderlijke macht’ [1431; Stall.], “vry-eygenen, vry-maken” [1650; Meijer], ‘vrijmaken uit een overheersend gezag of oordeel’ [1727; WNT soldij].
Ontleend aan Latijn ēmancipāre ‘zich vrijmaken van de vaderlijke macht’, gevormd uit → ex- ‘uit-’ en het werkwoord mancipāre ‘met een plechtige procedure verkopen’, wrsch. uit manus ‘hand’, zie → manuaal, en capere ‘nemen’ (verwant met → hebben).
De moderne betekenis van emanciperen ‘(zich) vrijmaken van een drukkend gezag, van maatschappelijke belemmeringen’ is overgenomen uit Frans émanciper ‘zich vrijmaken van een afhankelijke positie’ [1580]. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw wordt de term vooral gebruikt met betrekking tot de positie van vrouwen.
emancipatie zn. ‘vrijmaking’. Vnnl. emantipatie ‘vrijstelling van de ouderlijke macht’ [1431; Stall.], emancipatie ‘id.’ [1520; WNT], algemener, net als bij het werkwoord, ‘bevrijding uit een overheersend gezag’ [1838; WNT Supp. anti- I]. Ontleend aan Latijn ēmancipātiō, afleiding van ēmancipāre. In het Surinaams-Nederlands staat emancipatie voor de ‘afschaffing van de slavernij’ in 1863.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

emancipatie [gelijkstelling] {emancipacie 1503} < frans émancipation [idem] < latijn emancipationem, 4e nv. van emancipatio [plechtige vrijlating van een zoon uit de vaderlijke macht], van emancipare, van ex [uit] + mancipare (vgl. mancipatie).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

emancipa’tie (de), (hist.) 1. vrijwording van een negerslaaf. James was in de daad, op zijn ouden dag een zeer bruikbaar vrijman*, ten volle de emancipatie waardig (van Schaick 1866:101). - 2. de vrijwording der gezamenlijke negerslaven bij de afschaffing van de slavernij (in Suriname in 1863). Ik was op Potribo toen de Emancipatie eindelijk afgekondigd werd. Groot was daar de vreugde en de opgewondenheid der slaven, toen in de maand Juni 1863 de Districts* Commissaris van Beneden- en Boven-Commewijne, de heer Van Son, op de plantage aankwam om de slaven mede te deelen, dat den eersten Juli zij vrije menschen zouden zijn (Bartelink 59). - Etym.: E ‘emancipation’ had oorspr. de SN bet., sedert 1797 ook die van ‘opheffing van discriminatie’ i.h.a. (Onions). Van Dale sugereert voor AN e. hetzelfde. S manspasi.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

emancipatie ‘gelijkstelling voor de wet’ -> Indonesisch émansipasi ‘gelijkstelling voor de wet’; Sranantongo manspasi ‘gelijkstelling voor de wet’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

emancipatie gelijkstelling voor de wet 1503 [Claes Tw. 11] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut