Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

emailleren - (met email bedekken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

email zn. ‘glasachtige laag glazuur’
Mnl. amause ‘geëmailleerde plaat’ [1360-89; MNW]; vnnl. emaille ‘id.’ [1562; Kil.], maar ook nog steeds een oude vorm emaus ‘id.’ [1701; Marin].
Ontleend aan Frans émail [1158-79; Rey], gereconstrueerd via de meervoudsvorm emaus uit ouder esmal [1140; Rey] < Frankisch *smalti bij het werkwoord *smeltan-, zie → smelten. Van dezelfde oorsprong ook middeleeuws Latijn smaltum ‘email’, zie → smalt. De oudere vorm mnl. amaus(se) is een verbasterde vorm, gebaseerd op het Franse meervoud émaux.
emailleren ww. ‘met email bedekken’. Mnl. amelieren [1477; MNW materie]; vnnl. geamallieert ‘geëmailleerd’ [1586; WNT], gheemalieert ‘id.’ [1613; WNT]. Ontleend aan Frans émailler, afleiding van émail. De gewone Middelnederlandse vorm voor emailleren was amelgieren, wrsch. onder invloed van middeleeuws Latijn amalgamare ‘week maken’, zie → amalgaam.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut