Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

els - (boomsoort)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

els 1 zn. ‘boom (Alnus glutinosa)’
Onl. *elis in de plaatsnamen Elisholz, letterlijk ‘Elzenbos’ (ligging onbekend) [772-776; Künzel] en Elisla, letterlijk ‘Elzenbos’, nu ‘Elslo (Limburg NL)’ [1002; Künzel]; mnl. else ‘Alnus’ [1226-1250; CG II, Pl.gloss.]. Daarnaast als bn. in van vijf sticken elsenhoets [1286; CG 1, 1172] en .xii. elsine houte stic ‘12 elzenhouten stuks’ [1293; CG I, 1886].
Rechtstreekse Germaanse cognaten zijn alleen mnd. else ‘benaming voor diverse struiken en planten’, ontleend via Nederlandse kolonisten aan het Middelnederlands, en wellicht got. *alisa (te herleiden uit Spaans aliso). Hierbij hoort de wortel pgm. *alisō-. Daarnaast met grammatische wisseling in het Nederlands nog dialectisch eller; daarbuiten: os. elira (mnd. elre); ohd. erila, elira (nhd. Erle, Eller); oe. alor (ne. alder); on. elri (nzw. al), alle met betekenis ‘els’, en ofri. ielren ‘van elzenhout’.
Verwanten buiten de Germaanse talen zijn Oudkerkslavisch jelĭcha, en met een n-suffix Latijn alnus (Frans au(l)ne); Litouws elksnis, alksnis, Oudpruisisch alskande; bij pie. *h1el-isā resp. *h1ol-isnis ‘abeel’ (IEW 302); voor Frans alise ‘elsbes (vrucht)’ wordt wel overname uit Gallisch *alisā verondersteld. Aan de pie. vormen ligt de wortel pie. *h1el- ‘rood, bruin’ ten grondslag, dit naar aanleiding van de roodgele kleur van elzenhout, zie → olm. Er wordt evenwel ook gedacht aan een substraatwoord. De Middel- en Nieuwnederlandse bijvorm elst ‘elzenbos’ [1390; MNHWS] zal een jongere, toegevoegde (paragogische) -t- hebben, zoals in → burcht.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

els1*, elst [boomsoort] {in de plaatsnaam Elsuth, nu Elst (O.-Vl.) 977, else 1226-1250} middelnederduits else, daarnaast met grammatische wisseling (vgl. was - waren), middelnederduits elre, oudhoogduits elira, erila (hoogduits Erle), oudfries ielren [van elzenhout], oudengels alor (engels alder), oudnoors elri(r); buiten het germ. latijn alnus, oudrussisch olĭcha en een in plaatsnamen bewaard gallisch alisia; de stam was oorspronkelijk een kleuraanduiding, vgl. oudhoogduits elo [geel], die ook tot vorming van olm1 heeft geleid en van dierennamen, bv. engels elk [eland].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

els 1 znw. m. (boomnaam) ‘alnus glutinosa’, mnl. else, mnd. else < germ. *alisō (vgl. ook got. *alisa > sp. aliso). Met gramm. wiss. *aliza in nl. dial. eller, mnd. elre, ohd. elira, erila (nhd. erle), ofri. ielren ‘van elzenhout’, oe. alor (ne. alder), on. elri o. elrir, ǫlr m. — gall. *alisia (vgl. riviernaam Alisontia en plaatsnamen Alisia, Alsincum), asl. jelĭcha (< *elisā) en met ander suffix lit. al̃ksnis, el̃ksnis, opr. alskande < *alisnis en lat. alnus < *alisnos. (IEW 302).

De naam van de boom gaat terug op de idg. wt. *el-, ol- ‘rood, bruin’, waarvan ook de boomnaam olm evenals de diernamen alk, wellicht ook lam afgeleid zijn. — De dialectische vorm elst kan evenals hulst door epenthese van de t ontstaan zijn; maar daarnaast staat ook een oude afl. met het suffix -tr in on. jǫlstr ‘els’, ilstri ‘wilg’, mhd. dial. hilster, halster ‘wilg’ (IEW 302). — Voor het suffix -isa vgl. H. Kern Ts 20, 1901, 37-43, ook in huls(t), te vergelijken met oi. -iṣa bijv. in mahiṣa ‘geweldig groot’; ‘buffel’. — Het nl. woord treedt ook op in de hele Altmark, waarheen het door nl. kolonisten in de 12 de eeuw overgebracht werd en nog leeft als else, vgl. Teuchert Sprachreste 211-4 met kaart.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

els I (boom), mnl. else (v.?). = mnd. else v. (nhd. els-beere v.), germ. *alisô-; naast ndl. dial. eiler, ohd. elira, erila v. (nhd. erle), mnd. elre, (ofri. ielren “van elzenhout”), ags. alor m. (eng. alder), on. elri o., elrir, ǫlr m. “els” met r uit z. Verwant met ksl. jelĭcha, lit. el̃ksnis, al̃ksnis, opr. alskande, lat. alnus (*alsno-s of *alisno-s). Een van de idg. benamingen van den els (vgl. Lidén, IF. 18, 485-487). De bijvorm mnl. nnl. dial. elst heeft, evenals hulst vermoedelijk een jongere t; het is minder waarschijnlijk, dat dit formans met dat van het met els verwante on. jǫlstr v., ilstri o. “wilg” gecombineerd moet worden. Spa. alisa “els”, fr. alize “lotusbes” komen wsch. uit het Got. Hoogerop verwant zijn ohd. ëlm(boum) m., ags. ëlm m. (eng. elm), on. almr m., ier. lem, lat. ulmus “olm”; vgl. olm. Zie ook bij eik.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

els I (boom). De vorm met s is typisch nederlands. Waar hij in het Ndd. voorkomt, wijst de geographie (westelijk, of wel in en om Brandenburg, vgl. hermoes Suppl.) op
ndl. herkomst: Teuchert Festschr. Kluge, 146 vlg.
Voor fr. alize is got. of in ʼt algemeen germ. oorsprong niet waarschijnlijk. Men heeft er wel een ospr. gall. woord in willen zien, dat met het germ. oerverwant zou zijn. Voor spa. aliso (niet alisa) willen sommigen got. oorsprong handhaven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

els 1 m. (boom), Mnl. else + Ohd. elira nevens erila (Nhd. erle en eller), Ags. alor (Eng. alder), On. elri, ǫlr + Lat. alnus voor *alsnus (Fr. aune), Osl. jelǐcha, Lit. el̃ksnis. In de Germ vormen is er afwisseling van s en r (vergel. was, waren) en bovendien in sommige van die vormen metathese van de r (z. olm 1).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

els II: pln., die Eur. is spp. Alnus, fam. Betulaceae wat in Ndl. els (Mnl. else), Hd. erle, Eng. alder heet en verb. hou m. Ndl. olm, Eng. elm en Lat. alnus en ulmus; in Afr. is die rooi- en die wit-els bek., ondersk. spp. Cunonia en spp. Platylophus, albei fam. Cunoniaceae en dan nog die sg. klipels, spp. Plectronia, fam. Rubiaceae e.a., asook onverw. rankplante (vgl. WAT).

Thematische woordenboeken

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Els (witte (grauwe)), Alnus incana
Alnus: Latijnse naam voor de els.
Incana: de plant of de bast van de plant is grijs van kleur.
Witte (grauwe) els: de Nederlandse naam voor Witte els was vroeger Grauwe els. Hij heeft namelijk een grijze bast. Omdat deze naam ook wel voor Zwarte els wordt gebruikt zorgt dit voor verwarring, vandaar dat de naam is veranderd in Witte els. De naam els wordt gekoppeld het Oud-Hoogduits woord 'elo' of 'bruingeel'. Het is dus de kleur van het hout (de kern is van het hout is rossig-geel) die de naam 'els' heeft opgeleverd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ELS ‘Europese Lagere School’ -> Indonesisch ELS ‘lagere school in de koloniale tijd’.

els ‘boomsoort’ -> Fries els ‘boomsoort’; Duits dialect Else, Els ‘boomsoort’; Zuid-Afrikaans-Engels els ‘boomsoort’; Papiaments èls ‘boomsoort’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

els* boomsoort 0772-776 [Künzel]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut