Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ellips - (kegelsnede)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ellips 1 zn. ‘kegelsnede’
Nnl. Ellipsen “zeer langwerpige Ronden” [1749; WNT weg]. Eerder al de afleiding Ellippische, wrsch. ‘elliptische kromme, ellips’ [1694; WNT vergaren]. Daarvoor alleen als kunstwoord ellipsis “hooghkeghelsnee” [1658; Meijer].
Ontleend aan Neolatijn ellipsis ‘id.’, een term die in de 16e eeuw is geherintroduceerd bij het beschrijven van planeetbewegingen, op basis van Grieks élleipsis ‘tekort; weglating van woorden’, zie → ellips 2. De afkapping van de uitgang -is is wellicht beïnvloed door Frans ellipse ‘id.’ [1625; Rey].
In de 3e eeuw voor Chr. werd deze benaming al bedacht door de Griekse geleerde Apollonius van Perga in een verhandeling over kegelsneden. Voor de twee andere mogelijke kegelsneden bedacht hij de namen → hyperbool uit Grieks huperbolḗ ‘overschot’ en → parabool uit Grieks parabolḗ ‘overeenstemming’. Deze benamingen hebben te maken met de wijze waarop Apollonius deze geometrische figuren construeerde. Een parabool wordt in een assenstelsel (x,y) voorgesteld met de vergelijking y2=px, met p constant. In een vergelijking voor een ellips wordt van het rechterlid van deze vergelijking een term in x2 afgetrokken en voor een hyperbool wordt er een term in x2 bij opgeteld. Een speciaal geval van een ellips voor p=0 is de → cirkel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ellips [ovaal] {1749} < latijn ellipsis < grieks elleipsis [het tekortschieten], van elleipein [(in iets) achterlaten, overlaten, weglaten], van en [in] + leipein [achterlaten].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ellips (Latijn ellipsis)

P.H. van Laer (1964), Vreemde woorden in de sterrenkunde, 2e druk, Groningen

Ellips (= Lat. ellípsis; < Gr. ἔλλειψις (elleipsis) = het achterblijven, het te kort schieten; naam van een kegelsnede). In moderne taal is die kegelsnede bedoeld, waarvoor de topvergelijking geldt: y2 = 2px − p/a x2 (p = b2/a)
die kegelsnede dus waarbij (voor deze ligging ten opzichte van het assenstelsel) het vierkant op de ordinaat van een punt kleiner is dan (dus te kort schiet t.o.v.) de rechthoek met de orthia (of latus rectum = 2p) en de abscis van dat punt als zijden ( y2 < 2px); → parabool.

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Ellips (< Gr. ἔλλειψις; < ἐκλείπειν = te kort schieten). Het te kort schieten. In de Griekse wiskunde gebruikt voor elliptische aanpassing of → applicatie. Vd. bij Apollonios (3e eeuw v. Chr.) naam voor de snede van den scherphoekigen kegel (→ oxytome), die de eigenschap bezit, dat het vierkant op de ordinaat elliptisch is aan te passen aan de zg. orthia (p = 2b2/a) met een defect van zijdenverhouding p : 2a.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ellips ‘ovaal’ -> Indonesisch élips ‘ovaal’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ellips ovaal 1749 [WNT weg I] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut