Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

elkaar - (ieder, elk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

elkaar vnw. ‘ieder, elk’
Mnl. helc es anders borghe ‘van elkanders borg’ [1252-1253; CG I, 50], elc stac andren ‘zij staken elkaar’ [1285; CG II, Rijmb.], hoe gerne soude nv ter erden elc andren steken ‘... zouden zij elkaar neersteken’ [1260-1280; CG II, Wr.Rag.]; nnl. door Elkaâr, met Elkaär [1750; WNT wicht II resp. leggen], door elkaar [1835; WNT].
De vorm elkaar is een samentrekking elkander, een samenstelling van de woorden → elk en → ander. In het Middelnederlands was deze combinatie scheidbaar, waarbij elk het onderwerp van de zin was en ander verbogen werd.
De samengetrokken vorm verschijnt in de schrijftaal pas in de 19e eeuw, eerst nog vrijwel uitsluitend als elkaâr om de klankweglating in het schrift aan te duiden, maar al tegen het eind van de eeuw overheerst elkaar. In de spreektaal moet elkaar al veel ouder zijn; de vindplaats uit 1750 is een dialoog in een blijspel. De oorspr. vorm elkander wordt nu nog alleen als deftige variant gebruikt. De samentrekking hoort in de eerste plaats in de kuststreek thuis en heeft zich van daaruit in de standaardtaal genesteld. Met de oude Noordzee-Germaanse verdwijning van -n- voor een stemloze dentale fricatief, zoals bij muiden uit *munþ (zie → mond) heeft zij niets te maken, hoewel het om een vergelijkbare klankontwikkeling gaat.
Naast elkaar komt ook mekaar voor (vooral, maar zeker niet uitsluitend, in België), dat een analoge ontwikkeling is uit malkaar < malkander < malc ander, met malc uit mnl. mallic < manlic ‘ieder’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

elkaar*, elkander [wederkerig] {elc andren 1285, elkander 1810} van elk + ander.

malkaar* [voornaamwoord] {1621} samengetrokken uit malkander.

malkander* [voornaamwoord] {malliec andren 1260-1270, malcanderen [elkander] 1350} van middelnederlands mal(ij)c, manlijc [ieder, elk] + ander.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

elkaar

Naast en door elkaar worden gebruikt: elkaar, elkander, malkaar, malkander, mekaar en mekander. Het hangt van de streek af welke vorm het meest in zwang is.

Elkaar is samengetrokken uit elkander en dit luidde vroeger: elc ander. In de Middeleeuwen zei men: elc sloeg ander. Daarnaast bestond malkaar, uit malkander ontstaan en weer verzwakt tot mekaar omdat de klemtoon op de tweede lettergreep viel. Malkander luidde in het Middelnederlands: manlyc ander. Dit manlyc is weer een samenstelling van man (mens) en lyc uit gelijc in de betekenis: ieder. Manlijc is dus: iedereen. In een verhaal over een riddergevecht staat: Manlyc hadde een spere groot, hetgeen betekent: ieder had een grote speer.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

elkander, elkaar voornw., ontstaan uit elk + ander, mnl. nog elc sloech anderen, maar ook ohd. mhd. einander en ne. one another. — Daarnaast staat malkander, malkaar, mnl. manlijc anderen; dit manlijk is mnl. manlijc, malc, mnd. mallic, malc ‘ieder’ te vergelijken met ohd. manno gilih ‘iedereen’. — Zie: elk.

Voor de ontwikkeling van elkander > elkaar zie K. Heeroma, NT 36, 1942, 218-22, die een tussentrap met nasalering voor n + dentaal aanneemt (in Hollandse en Zeeuwse dialecten).

malkaar, malkander, voorn. zie: elkander. Door accentverzwakking ontstonden de vormen mekaar, mekander.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

malkaar, malkander. Zie elkaar. Door den zwakken toon op de eerste lettergreep ontstond mekaar, mekander.

mekaar, mekander. Zie malkaar, -ander.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

malkaar, malkander. Zie elkander Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

elkaar voorn., niet in Mnl.: aar = *ader is de Fri. en Saks. nasaallooze vorm van ander (z.d.w.); elkander + Hgd. einander, Eng. each other: z. de opmerking bij aaneen; Mnl. nog elc bat anderen, d.i. zij baden elkander.

malkaar, malkander voornw., Mnl. mallijc ander. Het eerste lid is geassim. uit manlijc = elk, d.i. ieder der menschen + Ohd. mannilîh, waarnevens mannogilîh, (Mhd. menneclîh, Nhd. männiglich), een samenst. met den gen. meerv. van man en gelijk of, na aphaerese van de ge, lijk, als voornw. = ieder (z. gelijk en lijk 3). — Voor het tweede lid z. elkaar.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

mekaar vnw.
Die een die ander.
Uit Ndl. malkaar (1621), 'n sametrekking van Mnl. malkander, malcanderen, 'n samestelling van mal(ijc) 'ieder, elk' en ander.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

mekaar: die een (vir) die ander, wedersyds; Ndl. mekaar uit malkaar uit malkander (Mnl. nog manlijc anderen, eint. man(s)- persoon(die) ander, ong. man-vir-man, d.w.s. “wedersyds”); dit het Ndl. elkaar heeltemal in Afr. verdring.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

achterelkander, achtermekaar ‘elkaar onmiddellijk in tijd opvolgend’ -> Duits dialect achter-malkander ‘elkaar onmiddellijk in tijd opvolgend’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

mekaar. Het wederkerig voornaamwoord mekaar 'elkaar' wordt in het Nederlands vooral gebruikt in de informele spreektaal: het is dik voor mekaar, hij heeft het goed voor mekaar. Mekaar is de gereduceerde vorm van malkander: het is een samenstelling van het Middelnederlandse manlijc, malc 'ieder, elk' en ander. In de middeleeuwen bestonden malkander en elkander naast elkaar, maar in de loop van de tijd kreeg - in ieder geval in de schrijftaal - elkander, elkaar de overhand, waarschijnlijk omdat het eerste gedeelte van malkander, mekaar niet meer werd begrepen nadat het voornaamwoord malc 'ieder, elk' uit de taal was verdwenen. In de zeventiende-eeuwse spreektaal was mekaar de normale vorm; dat blijkt wel uit het feit dat deze vorm in het Afrikaans voorkomt, bijvoorbeeld in naar mekaar verlang 'naar elkaar verlangen'.

Het Nederlandse voornaamwoord mekaar is geleend door het Sranantongo als makandra. Dit is bijzonder, omdat voornaamwoorden vrijwel nooit door andere talen worden overgenomen. In het Sranantongo kan men bijvoorbeeld zeggen ondro makandra 'onder elkaar' en kon makandra 'bij elkaar komen'; een konmakandra is een 'bijeenkomst, vergadering'. Makandra kan in het Sranantongo ook gebruikt worden als werkwoord in de betekenis 'optrekken, bevriend zijn' en als bijwoord in de betekenis 'samen, tezamen, gezamenlijk, met elkaar': bondru makandra is 'samenbundelen, verenigen'.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

elkaar, elkander* wederkerig voornaamwoord 1285 [CG Rijmb.]

malkander* wederkerig voornaamwoord 1260-1270 [CG II1 Boeve]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut