Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

elk - (ieder)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

elk vnw. ‘ieder’
Mnl. elc ‘ieder’ (1236; CG I, 24); het Middelnederlands kende verder elk, eelc en ellik.
Samentrekking van een zeer oude samenstelling, maar het is onzeker uit welke elementen.
Mnd. elk, ellik; oe. ælk (ne. each); ofri. ek, ellik (nfri. elts); er zijn dus weinig variante vormen aan de hand waarvan de oorspr. elementen kunnen worden bepaald. Wrsch. is het eerste lid het telwoord → een (< pgm. *aina); het tweede lid zou *(ga)līka- ‘persoon’, de voorganger van → lijk (zie ook → -lijk, → lichaam) zijn, zodat de oorspr. betekenis ‘ieder persoon afzonderlijk’ zou hebben geluid. Minder wrsch. is het voorstel van FvWS, dat als alternatief voor de grondvorm van het tweede lid een Nederlands equivalent construeert van ohd. (gi)hwelīh, os. (gi)hwilīk ‘ieder’ (zie → welk), zoals ook in onl. dagauuelikis ‘elke dag, dagelijks’ [10e eeuw; W.Ps.].
Lit.: H.K.J. Cowan (1958) ‘Ned. elk en dagelijks’, in: TNTL 76, 129-131

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

elk* [ieder] {e(e)lc 1220-1240} een sterke verkorting van een samenstelling waarvan het eerste lid een is en het tweede een oude vorm van gelijk met de betekenis ‘persoon’, van het voorvoegsel ga (ge) + lijk (vgl. lichaam). De oorspr. betekenis zal dus zijn geweest ‘ieder afzonderlijk’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

elk voorn., mnl. eelc, elic, elc, ellic, mnd. elk, ellik, ofri. elk, ellik, oe. ælc (ne. each). — Blijkens de weergave einuuilikīn voor ‘unicuique’ in karolingische psalmvertalingen (H. K. J. Cowan, Ts 76, 1958-9, 129-31) moet men uitgaan van een vorm *aina + galīka, te vergelijken met mnl. manlijc, ohd. manno gilīh ‘iedereen’; zie: -lijk (v. Haeringen Suppl. 45).

Deze verklaring voldoet beter dan die van Horn in Festschr. Behaghel 1924, 80 uit een 2de lid zoals os. gihwilik, ohd. gihwelīh ‘ieder’. — De dialectische vorm ielk (Noord-Brabamt) zal staan onder invloed van ieder.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

elk onbep telw., mnl. eelc, êlic, elc, ellic. = mnd. elk, ellik, ofri. ek, élk, ellik, ags. æ̂lc (eng. each) “elk”. Niettegenstaande dial. nnl. (N.Brab.) ielk (ie naar ieder?) niet uit *eo-lîka- (vgl. ohd. iogilîh “ieder’), maar blijkens ’t mnl. vocalisme uit *aina- en *lîka- samengesteld (evenzoo ags. æ̂lc enz.); vgl. een en -lijk en voor de klankontwikkeling vgl. elf II. Wgerm. *ainlîka- = schijnt “ieder afzonderlijk” beteekend te hebben, “quisque” en niet “quivis”. Formeel staat het tot ohd. gilîh (“elk, ieder”, met gen.) als lat. ûnusquisque : quisque. Mnl. eenghelijc “elk” is jong en zeldzaam. Vgl. ieder, iegelijk. - De distributieve bet. (“ieder afzonderlijk, telkens een”) maakt ’t begrijpelijk, dat ons elkander, elkaar (mnl. nog twee woorden, bijv. elc sloech anderen “zij sloegen elkaar”) aan ohd. nhd. einander beantwoordt (vgl. eng. each other en one another). De bijvorm malkaar, malkander = mnd. malkander; mnl. nog manlijc anderen; met manlijc, malc, mnd. mal(li)c “ieder” vgl. ook ohd. manno gilîh “iedereen” en ofri. monnek “id.” < monna ek. Vgl. ander.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

elk. Beter dan met *aina- + *lîka- wordt de bet. ‘ieder’ verklaard met een grondvorm waarin het 2e lid = ohd. gihwelîh, os. gihwilîk ‘ieder’ zou zijn: Horn Festschr. Behaghel (1924) 80. De sterke verkorting is hiertegen geen bezwaar. Misschien ware echter *aina- + *ʒalîka- (zie -lijk) de juiste middenweg. Deze grondvorm is ook voor ags. æ̂lc enz. mogelijk; het jonge mnl. eenghelijc ‘elk’, dat wellicht naar (een) iegelijk is opgekomen, pleit er niet tegen, evenmin het minder sterk gereduceerde ieghelijc, dat trouwens wsch. vanouds geen westmnl. vorm was (zie iegelijk). — Ook het eerste lid van malkander (vgl. hiermee nog ofri. malkôrum ‘elkaar’), bijvorm van elkander, elkaar, mnl. manlijc, kan ospr. een samenst. met *ʒalîka- zijn en dus aan ohd. manno gilîh ‘iedereen’ volkomen beantwoorden. Voor nnl. elkaar, mekaar vgl. ander Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

elk bijv., Mnl. elc, ellic + Ags. ælc (Eng. each), Ofri. ellik, saamgest. met een en lijk (z.d.w., alsook ieder en iegelijk).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1elk vnw.
Al die persone of sake van die genoemde soort apart beskou; ieder.
Uit Ndl. (o.a. Gent) elk (1566 - 1568) 'ieder', 'n sametrekking van een en lijk, die ou vorm van gelijk 'persoon', met lg. uit die voorv. ge- en lijk 'elkeen afsonderlik'.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

elk ‘ieder, iedereen’ -> Negerhollands elk ‘ieder(e) (uitsluitend bijvoeglijk gebruikt)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

elk* onbepaald voornaamwoord 1220-1240 [CG II1 Aiol]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut