Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

elger - (vork voor palingsteken)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

elger* [vork voor palingsteken] {elger, ellegaer 1406} van middelnederlands ael [aal, paling] + geer [speer, werpspies] (vgl. avegaar, geren), oudsaksisch, oudfries gēr, oudengels gār, oudnoors geirr, ook als 1e lid van namen als Gerbrand, Gerard enz.; buiten het germ. grieks chaios [herdersstaf], oudiers gáe [speer], welsh gwaew.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

elger znw. m., mnl. elger, ellegaer (holl.) ‘ elger, vork om aal te steken’ naast aelgheer, dat bestaat uit de woorden aal en geer. Dit laatste betekent ‘ spies, speer’ < germ. *gaiza, vgl. os. ohd. gēr, ofri. gēr, oe. gār, on. geirr; reeds boerg. *gaisus in eigennamen (Gamillscheg, Rom. Germ. 3, 119). — Vroeger wel beschouwd als ontlening < lat.-gall. gaesum, gr. gaĩson ‘zware ijzeren werpspeer’, maar toch eerder omgekeerd, want voor germ. origine spreekt de naam van de stam Gaesatae. — Vgl. nog gr. chaĩos ‘herderstaf’, oi. hēṣa ‘werptuig’, oiers gae ‘speer’ (IEW 410). — > nhd. elger (in de 17de eeuw ook elliger; vgl. Kluge ZfdWortf. 8, 1906, 41).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

elger znw., mnl. (holl.) elger (ellegaer) m. “elger, vork om aal te steken”. Ontstaan, wsch. in het friesch getinte noordholl. dial. (waar aan ndl. â een ê beantwoordde), uit aal I + gheer, dial. gaer (vgl. avegaar). Ook mnl. aelgheer (nnl. aalgeer) komt voor. Dit gheer > oergerm. *ʒaiza- “speer”: ohd. os. gêr, ofri. gêr (in samenst.), ags. gâr, on. geirr m. “speer, spies” (waarnaast mnl. ghêre m. “id.” = ohd. gêro; zie geer). = gall. gaiso-, ier. gae “speer”, gr. khaĩos “herdersstok”, oi. hésa- ”werptuig” (NB. germ. *ʒaiza- veronderstelt *ĝhaisó-). Van den wortel ĝhi- in oi. hinóti “hij brengt in beweging, slingert”, waarvan met andere formantia ags. gâd v. “prikstok” (eng. goad), langob. gaida “pijlspits”, av. zaêna- en zaya- “wapen”. Opvallend is de ai van *ghaiso-; de gewonere ablaut zou zijn i : ei : oi. - Het woord geer bleef verder nog bewaard in eigennamen als Gerard, ohd. Gêrhart, vgl. ook got. (lat.) Hariogaisus. Zie nog bij gesel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

elger m., Mnl. id., verdoffing van aalgeer.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

elger (Oudfries ēlgēr)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Avegaar, voor navegaar (evenals aak voor naak, hgd. Nachen; adder voor nadder, mnl. nadre, hgd. Natter; arreslede voor narreslede; in Zeeland noom voor oom; zoo leest men in een oude klucht “sijn Egosy” en hoort men bij ’t volk: “’t is nog al ogisch”); mnl. navegaer, neveger, neffiger, naveger, avegaer, egger enz.; samenstelling uit naaf en geer = speer, puntig ijzer, met de bet. groote boor om gaten in naven te boren. Geer, tot ger verkort, vindt men ook in aalger of elger, ijzeren vork om aal te steken. Geer is o.a. in het naaistervak bekend als schuin stuk en is nog te vinden in ’t ww. geeren, schuin loopen (“dat huis geert”), ook gieren uitgespoken. De a in de laatste lettergr. van avegaar is door Frieschen invloed ontstaan. Men vindt nog vele vormen als aafger, egger, negger.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal