Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

elft - (zeevissoort)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

elft zn. ‘zeevis van het geslacht Alosa
Misschien in mnl. elf-schuyte ‘schip om elft mee te vangen’? [1253; MNW], maar in elk geval mnl. elft ‘elft’ [1288-1300; CG I, 1334], hondert helfsts ‘100 elften’ [1350-1400; MNW], elste (mv.) [1407-32; MNW], elften (mv.) [1420; MNW harder].
Ohd. albiz ‘zwaan’; oe. ielfetu ‘zwaan’; on. alpt, ölpt, elptr ‘zwaan’; < pgm. *albit-. Daarnaast zonder -t o.a. ohd. alba ‘insectenlarve’; on. elfr ‘rivier’ (nzw. älv); en met een ander achtervoegsel: os. alund ‘witvis’; ohd. alunt, alant ‘id.’. Mogelijk hetzelfde woord als onl. *alvit ‘zwaan’ in de plaatsnaam Aluitlo ‘Elft (Noord-Holland)’ [914-948; Künzel] (met lo ‘bos’).
Verwant met Oudkerkslavisch lebedĭ ‘zwaan’ (Russisch lebed', Tsjechisch labuť) < *olb-edĭ; gevormd met een achtervoegsel *-d dat veel bij diernamen voorkomt (bijv.kreeft, → specht), misschien bij de wortel pie. *h2elbh- ‘wit’, zie verder → abeel. Of onl. *alvit en mnl. elft hetzelfde woord zijn, is niet helemaal zeker. Beide zijn in elk geval wel van dezelfde wortel afgeleid, die wrsch. tot een voor-Indo-Europees substraat behoort.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

elft1* [zeevissoort] {el(f)st, elft 1351-1400} middelnederduits elft, naast oudsaksisch alund, oudhoogduits alunt [witvis], oudnoors ǫlunn [een niet-geïdentificeerde vis], verwant met grieks elephitis [idem], latijn albus [wit]; de vis is dus naar de witte kleur genoemd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

elft znw. m., dial. ook alft, mnl. elft, elfst, mnd. elft verklaart men uit een idg. wt. *albho ‘wit’, vgl. gr. elephitís ‘blei’ en os. alund, ohd. alunt ‘witvis’, on. ǫlunn ‘vissoort’. Voor de bet. ‘wit’ vgl. nog gr. alphós ‘witte uitslag’, lat. albus ‘wit’, kymr. elfydd ‘aarde, wereld’ (IEW 30-1). — Zie ook: elf 1.

Opmerkelijk is een gelijksoortig woord voor ‘zwaan’: ohd. albiz, elbiz, oe. aelbitu, ielfetu, on. elptr, ǫlpt te vergelijken met osl. lebedǐ.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

elft znw., dial. ook alft, mnl. elft (elfst) (m.?). = mnd. elft “elft”. Gaat vermoedelijk evenals gr. elephitís “blei” op een idg. van *albho- “wit” (lat. albus, gr. alphoús· leukoús Hes.) afgeleiden vischnaam terug; elephitís heeft dan ele- door vocaalassimilatie. Vgl. de verwante benaming van den zwaan: ohd. albiʒ, elbiʒ m., ags. ielfetu, on. elptr, ǫlpt v., russ. lébed’, serv. lȁbûd. Voor een anderen vischnaam met dergel. bet.-ontwikkeling zie blei, en vgl. ook fr. able “blei”, dat men evenals nhd. albe v., mhd. albel m. “blei” uit mlat. albula (van albus) afleidt. Komt ndl. dial. (Antw.) alf “blei’’ ook hiervan af of is het een germ. woord, verwant of identisch met elft?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

elft v., Mnl. id. = witvisch + Ohd. albiʒ (Mhd. elbiʒ, Nhd. elbsch), Ags. ielfetu, On. elptr + Osl. lebed (R. id., Po. labec) = witte zwaan, van denz. wortel als Lat. albus = wit (z. albe).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3elf s.nw.
1. Europese trekvis, verwant aan die haring, met 'n stekellose rugvin maar met stekels aan die kieuboë. 2. Stekelvinvis met twee rugvinne wat in gematigde en tropiese oseane voorkom, ook aan die S.A. kus.
In bet. 1 uit Ndl. elft (al Mnl.) 'seevis van die geslag haring'. Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel en verwys na 'n vissoort in S.A. bekend, so genoem omdat dit wat voorkoms betref aan die Europese vissoort herinner.
Ndl. elft uit Latyn albus 'wit'.
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. in die vorm elft (1731).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

elf III: s.nw. elwe, “viss.” (spp. Pomatomus of Temnodon, fam. Pomatomidae); Ndl. elft (Mnl. elf(s)t, dial. ook alft) is spp. Alosa of Clupea, fam. Clupeidae; mntl. verb. m. Lat. albus, “wit”, dus “witvis”, kleur in Bul 2 beskrywe as “silweragtig”; v. ook Scho PD 10.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Elft (witvisch) komt van denzelfden Idg. wt. als ’t Lat. albus = wit. Zoo was in ’t Ohd. albiz, Mhd. elbiz = zwaan, als witte vogel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

elft ‘vissensoort’ -> Engels elf ‘blauwbaars’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

elft* beenvis 1351-1400 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut