Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

elf - (geest)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

elf 2 zn. ‘vriendelijke natuurgeest’
Nnl. De Silfen en de Elfen doorkruisen het woud [1820; WNT], elpen (mv.) (drukfout voor elphen) “zekere geesten of ondergoden bij de oude Noordsche volken” [1824; Weiland].
Ontleend aan Duits Elf(e) [1742] < Engels elf < pgm. *albi-, zie → alf.
Het woord is in het Duits terechtgekomen uit het Engels met de vertaling (1742) van Paradise Lost van Milton en kreeg grote bekendheid door Wielands vertaling van 1764 van Shakespeare's A Midsummer Night's Dream, waarin zingende en dansende elfen het toneel betreden. Vanaf de 18e eeuw werden oude Germaanse mythen vaak idealistisch voorgesteld en hieruit stamt de voorstelling van elfen als vriendelijke wezens. In het Middelnederlands en het Vroegnieuwnederlands werd ook al een erfwoord elf gebruikt als variant van → alf ‘boze geest’. In Oost-Vlaanderen bestond tot het begin van de 20e eeuw de uitdrukking van den elf geleed zijn ‘door de elf misleid zijn, verdwaald zijn’. Elfen of alfen waren wrsch. oorspr. Germaanse dodengeesten aan wie offers werden gebracht. Van hen werd gezegd dat ze 's nachts in het maanlicht dansten op een open plek in het bos, waar ze de zogenaamde elfenringen achterlieten, die soms als uitermate vruchtbaar worden voorgesteld, soms als uitermate giftig. Elfen konden de mens oorspr. zowel goed als kwaad doen, maar in de christelijke Middeleeuwen werden ze (wrsch. vanwege hun ‘heidense’ oorsprong), uitsluitend als kwade wezens voorgesteld.
elfenbankje zn. ‘zekere veelkleurige zwam (Polyporus versicolor Fr.)’. Nnl. elfenbankjes (mv.) [1913; WNT Aanv.]. Samenstelling van elf en → bank.
Lit.: P. Vermeyden en A. Quak (2000) Van Ægir tot Ymir, Nijmegen

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

elf2 [geest] {1855-1857} < hoogduits Elf < engels elf, oudengels ælf, ylf, oudsaksisch, middelnederduits, middelhoogduits alf, oudnoors alfr; modern duits heeft naast elkaar Alp [kwelduivel, nachtmerrie] als resultante van de genoemde oudere vormen en het aan het eng. ontleende Elf [goede geest], in feite hetzelfde woord. De divergering van de betekenis is te verklaren door het feit, dat de elfen oorspronkelijk ambivalente wezens waren. Het middelnl. kende het woord ook, in de vorm alf, elf [boze geest] {1265-1270}, maar dit woord was inmiddels verdrongen → alf1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

elf 1 znw. v., in de 18de eeuw < nhd. elf m., elfe v., dat zelf sedert 1742 aan ne. elf ontleend werd; het had de betekenis van meestal liefelijke woudnimfen. Het verdrong een ouder woord alf, elf ‘boze geest, demon’ vgl. mnd. alf, mhd. alp, alb, oe. alf, ielf, ylf, on. alfr, een oud woord voor demonische wezens, wier karakter ambivalent was (in de noordgerm. mythologie onderscheidde men tussen lichtalfen en zwartalfen).

De etymologie is niet geheel zeker. Het meest aannemelijk is een afleiding uit de idg. wt. *albh ‘glanzen, wit zijn’ (Wadstein, Fschr. Bugge 1892, 152 vlgg.) en dan komt men tot een betekenis ‘witte nevelgestalte’, vgl. de geografische namen Albion en Alpes en verder ohd. alba ‘insectenlarve’ naast nnoorw. alma ‘engerlingen’. — Maar de reeds door A. Kuhn, KZ 4, 1855, 110 voorgestelde verbinding met oi. ṛbhu- ‘kunstvaardig, kunstenaar, naam van drie mythologische wezens’ wordt tegenwoordig toch weer verdedigd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

elf I znw. Het Mnl. kent de vormen alf en elf m. “booze geest, duivel” (ook scheldwoord). In ’t Oudgerm. schijnen de stammen *alƀa- en *alƀi- beide bestaan te hebben: op *alƀa- wijst on. alfr m., mv. alfar, op *alƀi- ags. ielfe m. mv. (in beide talen benaming van natuurgeesten), de. elv, ouder-zw. älf; mhd. alp m. (mv. elbe, elber) “spookachtig wezen, nachtmerrie” kan een i-stam zijn, evenzoo mnl. mnd. alf m. “booze geest”, de vorm elf kan onder invloed van het mv. zijn ontstaan, wat bij dit woord zeer begrijpelijk is. Het Ags. heeft het enk. ælf m. Deze oudgerm. benaming voor natuurgeesten staat in ablaut met oi. ṛbhú- “kunstvaardig, kunstenaar, naam van drie mythische wezens”. De bet. van ons elf wijst er op, dat dit woord niet op mnl. elf teruggaat, maar evenals nhd. elf m., elfe v. uit eng. elf of, nog later, uit hd elf(e) ontleend is. Alf “booze geest” komt in oost-ndl. diall. nog voor. Het mv. is in de ME. alve(n), elve(n). nooit elfen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

elf 2 meerv. elfen v. (natuurgeest), gelijk Hgd. elf(e), uit Eng. elf, waarover bij elf 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2elf s.nw.
Aard- of natuurgees in menslike gedaante.
Uit Ndl. elf (1855 - 1857).
Ndl. elf uit D. Elf 'natuurgees' (18de eeu) deur Bodmer en Wieland (D. dramaturge) ontleen aan Eng. elf (Milton en Shakespeare). Eng. elf gaan terug op Middelhoogduits alp, alb wat 'n gevaarlike wese was; die voorstelling van 'n vriendelike elf ontstaan tydens die Romantiek.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

elf II: s.nw., mv. elwe, “bonatuurlike wese”; Ndl. elf (sedert 18e eeu), uit Hd. elf (in 18e eeu) ontln. a. Eng. elf, misk. verb. m Ohd. alp, “nagmerrie”, en On. alfr, “gees”; verw. hoërop onseker.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

elf (Duits Elf(e))
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

elf, elfje ‘geest’ -> Papiaments èlfye ‘geest’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

elf geest 1855-1857 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut