Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

elf - (telwoord)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

elf 1 telw. ‘11’
Mnl. in elften ‘elfde’ [1220-1240; CG I, Aiol], ellef ‘elf’ [1265-70; CG II, Lut.K], elf [1286; CG I, 1161].
Os. ellevan, ohd. einlif, ofr. andlova, alleva, elleva; oe. en(d)lefan, endlifan; on. ellefo; got. ainlibim; < pgm. *ainlif ‘elf’.
Meestal opgevat als samenstelling van de elementen pgm. *ain- (zie → een) en pgm. *lib(i)- < pie. *leikw- ‘overlaten’ (zie → lenen), met pie. *kw > pgm. *hw > *b /ƀ/ zoals ook bij pie. *ulkwo- > pgm. *wulfa- (zie → wolf). Deze etymologie is gebaseerd op een soortgelijke vorming in het Litouws waar de telwoorden elf tot en met negentien met een tweede element -lika gevormd worden; vergelijk Oudlitouws liẽkas ‘de elfde’ en añtras liekas ‘de twaalfde’, waarbij de betekenis geïnterpreteerd wordt als ‘de overgeblevene’ (na tien) en de ‘andere (of tweede) overgeblevene’. Een alternatieve verklaring is dat het bij het Germaans om een parallelle ontwikkeling gaat uit de wortel pie. *lip- (nultrap van *leip-) zoals in → blijven.
De telwoorden elf en → twaalf zijn blijkbaar overblijfselen van een telsysteem waarbij er sprake was van een twaalftallig stelsel in contrast met of naast een tientallig stelsel.
Lit.: W.J.J. Pijnenburg (1988) ‘De etymologie van elf en van duizend’, in: Mededelingenblad van vereniging van Oudgermanisten 1988/2, 20-21

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

elf1* [telwoord] {el(le)f 1220-1240} vgl. engels eleven, oudhoogduits einlif, gotisch ainlif; de meest bekende etymologie zegt: het eerste element in deze samenstelling is het telwoord één, het tweede de stam van blijven, dus ‘één boven de tien’. De uitdrukking elf is het gekkengetal houdt een woordspeling in met elf2 in de betekenis ‘gek’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

elf 2 telw., vgl. mnl. elf, ellef (ook ellévene evenals ne. eléven), os. elleƀan, ohd. einlif, ofr. andlova, elleva, oe. endleofan, ānleofan, on. ellifu, got. ainlif is evenals twaalf gevormd met een suffix -liƀa-. — Men stelt tegenwoordig dit 2de lid tot de idg. stam *leip ‘kleven’ en vgl. dan ohd. leipa, oe. lāf, on. leif, got. laiba ‘overblijfsel, rest’ en on. lifa ‘over zijn’, lifna ‘overblijven’. Dan beduidt elf dus ‘een die overschiet (boven de tien)’.

Anderzijds is men niet blind voor de merkwaardige overeenstemming in formatie van lit. vienuólika ‘elf’ en dvý-lika ‘twaalf’, daar zij bewijzen, dat voor deze telwoorden het germaans en het baltisch een analoge formatie gekozen hebben. Maar dit -lika- gaat terug *liku̯, nultrap van *leiku̯ ‘laten, overlaten’, waarvoor zie onder: lenen (met de woorden leven en blijven bestaat echter geen verband). — De pogingen om toch de germaanse en baltische vormen samen te vatten onder *leiku̯ blijven nog steeds voortduren (zie v. Haeringen Suppl. 45).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

elf II telw., mnl. elf, ellef (ook ellévene, vgl. eng. eléven).= ohd. einlif (nhd. eilf elf), os. elleƀan (nnd. elf), ofri. andiova, elleva (e.a. vormen), ags. endleofan (e.a. vormen), on. ellifu, got. ainlif. Veel van deze vormen zijn (wat den uitgang betreft o.a. onder invloed van *teχan “10”) belangrijk van hun ospr. vorm afgeweken. Voor ’t eerste lid van *ain-liƀa- vgl. een. Het tweede lid van germ. *ain-liƀa- en *twa-liƀa- “12” is verwant met leven en blijven (*liba- = “rest”?). Behalve in het Germ. komen soortgelijke formaties alleen in het Balt. voor: lit. venúolika “11”, dvýlika “12” (tot 19 toe), maar lit. -lika en germ. -liƀa- kunnen bezwaarlijk verwant zijn.

[Aanvullingen en Verbeteringen] elf II. Over lit. vënůlika, dvýlika vgl. Bezzenberger KZ. 44, 133—136.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

elf II telw. Verwantschap van got. -lif enz. en lit. -lika zou aannemelijk zijn, als we in de germ. labiaal de voortzetting mochten zien van idg. q en *-liƀa- verbinden met de bij leen besproken woordfamilie. Deze verbinding gaat wel niet zonder moeilijkheden (die men op verschillende wijzen heeft getracht te overwinnen: de labiaal in twaalf regelmatig onder invl. van de w, vgl. vijf en wolf; vandaar op elf overgedragen? ten onrechte is ook onoorw. ællugu ‘elf’, waarin de g aan jonge dial. ontw. ƀ > g te danken is, ten bewijze van idg. q aangevoerd), maar wordt door de treffende overeenkomst van de germ. en balt. vormen zozeer opgedrongen, dat ze ten minste ernstige overweging verdient.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

4. elf (het gekkennummer), is elf 1 door volksetym. verward met elf 3.

3 elf bijv.(11), Mnl. elf, ellef, elleven, Os. elleҍan + Ohd. einlif (Mhd. eilf, Nhd. elf), Ags. endleofan (Eng. eleven), Ofri. andlova, On. ellifu (Zw. ellefva, De. elleve), Go. ainlif + Lit. vënůlika: het eerste lid is het telw. één; het tweede lif blijft onuitgelegd; er schijnt nochtans een verband te bestaan tusschen het Germ. -lif (bij 11 en 12), het Balt. -lika (bij 11 tot 19) en het Prakrit -raha (bij 11 en 12), die toch tien moeten bet. en ten slotte, met liq. uit dent., op tien moeten teruggaan. Ter elfder ure naar Matth. XX, 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

èlf (telw.) elf; Vreugmiddelnederlands elf <1220-1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1elf telw., s.nw.
1. Tien plus een, of teken waarmee dit aangedui word. 2. Elf persone of voorwerpe. 3. Elfuur.
Uit Ndl. elf (al Mnl.).
Vgl. Mnl. ellef, ellévene, Oudengels endleofan (Eng. eleven), Oudhoogduits einlif, Oudnoors ellifu, Goties ainlif. Oorspr. 'n afleiding met die agterv. -liba wat saamhang met Goties laiba 'oorblyfsel', Oudnoors lifa 'oorbly'. Elf dui op 'een wat oorbly, oorskiet (bo tien)'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

elf I: telw., mv. -e of -s of elwe; Ndl. elf (Mnl. el(le)f/ellevene), Hd. elf (Ohd. einlif), Eng. eleven (Oeng. endleofan), Got. ainlif; lste lid (nog vol vorm in Ohd. en Got.) hou verb. m. Ndl./Afr. een, Hd. ein en Eng. one; tweede lid enigsins onseker, maar wsk. verb. m. ’n ww. wat bet. “oorbly”, d.w.s. wat na 10 oorbly.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

elf. Inez van Eijk (1978: 86) kent het verwensingsversje:. Wat je zegt, ben je zelf,// met je kop onder lijn elf,// met je kop onder lijn tien,// heb ik je nooit meer gezien.. In mijn enquêtemateriaal wordt dit vers opgegeven voor Amsterdam. In Doetinchem kent men als regel (3) en (4) met je kop tegen de muur, ben je morgen lekker zuur. Leiden varieert als volgt:. Wat je zegt ben je zelf,// met je kop onder lijn elf,// met je been onder lijn tien,// ik heb het zelf gezien.. Ik beschouw dit vers als een antwoordverwensing en neem in de regels (2) en (3) een ellips aan: (val, loop) met je kop onder lijn elf! en (val, loop) met je kop onder lijn tien! Deze verwensingen hebben nog slechts emotionele waarde en drukken woede, afkeer, minachting enz. uit. Men zou ze weer kunnen geven met ‘rot op, val dood’. De Leidse variant leent zich minder voor een verklaring als antwoordverwensing. Dat komt omdat regel (4) iedere interpretatie verhindert, vandaar dat ik vooralsnog aanneem dat die regel corrupt is. → helft, koffiemelk, lepel, melk, tiet, touw en verf.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Elf staat voor een lif (Oudhd. einlif), waarin lif beantwoordt aan den Idg. wt. lik = overlaten; elf zou dus bet.: één over de tien.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

elf ‘telwoord’ -> Petjoh (pil) nummer elf ‘vergif’; Negerhollands elf, elef ‘telwoord’; Berbice-Nederlands alfu, elfu ‘telwoord’; Skepi-Nederlands elk ‘telwoord’; Sranantongo erfu ‘telwoord’; Aucaans eloefoe ‘telwoord’; Saramakkaans elúfu ‘telwoord’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

elf* telwoord 1220-1240 [CG II1 Aiol]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

549. Ter elfder ure,

d.w.z. op het laatste oogenblik, eindelijk. De uitdrukking is ontleend aan den Bijbel, en wel aan de gelijkenis van den arbeider in den wijngaard, waarin verhaald wordt, dat de eigenaar van den wijnberg sommige arbeiders, die hij ledig vond, ter elfder ure (d.i. 's avonds te vijf uren, daar de Joodsche werkdag om zes uur eindigde) nog huurde tegen hetzelfde loon, dat hij aan anderen beloofd had. Zie Mattheus XX, vs. 1-16 en Zeeman, 463; hd. in der elften Stunde; eng. at the eleventh hour.

551. Elf is het gekkennummer (of het gekkengetal).

Eigenlijk is elf hier ‘eene woordspeling met het znw. elf, een bijvorm van alf, in den zin van gek, zot of dwaas, eene beteekenis die zich in overdrachtelijke opvatting uit den naam der alven of elven, bedriegelijke, booze geesten, ontwikkeld heeft’; zie het Ndl. Wdb. IV, 963; II, 118; III, 4070; Mnl. Wdb. II, 610; De Jager's Archief IV, 423-424 en Volkskunde X, 207.

2699. (Aanv.) Pil no. 11.

In Ned.-Indie de naam voor vergif. Vgl. fr. bouillon d'onze heures, giftdrank; prendre un bouillon d'onze heures, zich om 't leven brengen. Volgens Noord en Zuid XXIX, 231 een drank, dien men iemand om elf uur ingaf, zoodat het slachtoffer te middernacht was ingeslapen om niet weer te ontwaken (?).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal