Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

element - (bestanddeel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

element zn. ‘bestanddeel’
Mnl. element ‘hoofdstof (aarde, water, lucht, vuur)’ [1265-70; CG II, Lut.K]; vnnl. element ‘grondbeginsel’ [1577; Werve], ‘natuurlijke leefomgeving van mens, dier of zaak’ [1660; WNT]; nnl. ‘basisbestanddeel in de scheikunde’ [1778; WNT], ‘vormend bestanddeel in maatschappij of andere menselijke kringen’ in bijv. geheel nieuwe elementen in de Regeering [1861; WNT], ‘elektrische cel’ [1887; WNT], “persoon van de (in een bepaling) aangeduide soort” (meestal ongunstig), bijv. oproerige elementen [1981; De Clerck 1981], (BN) ‘werkkracht’ [1976; De Clerck 1981].
Ontleend aan Laatlatijn elementum ‘hoofdstof’, in klassiek Latijn ‘grondbeginsel; letters van het alfabet’, in jongere betekenissen ook uit Frans élément. De verdere herkomst is onbekend.
elementair bn. ‘de beginselen betreffend’. Nnl. elementair onderwijs [1803; WNT], elementaire deeltjes ‘allerkleinste deeltjes’ [1866; WNT]. Ontleend aan Frans élémentair ‘id.’ < Latijn elementārius ‘id.’, afleiding van elementum.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

element [hoofdstof, eenheid] {1265-1270 in de betekenis ‘grondstof der natuur, lucht’} < frans élément < latijn elementum [aanvang, principe, letter; in mv. grondstoffen, elementen, alfabet, beginselen van lezen en schrijven].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

element znw.o. Een reeds mnl. (zeldzaam, speciaal = “lucht”) mhd. ontl. uit lat. elementum “grondstof, element”. Internationaal woord.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

element (Latijn elementum); (in zijn -- zijn) (vert. van Engels to be in one’s element)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

elementen . De letterlijke betekenis van dit woord luidt ‘de hoofdstoffen waaruit men zich vroeger de wereld opgebouwd dacht, t.w. vuur, lucht, water en aarde’. In het WNT vinden wij alleen van de exclamatie bij de elementen bewijsplaatsen uit de 17de eeuw. Als varianten in bastaardvloeken geeft het WNT elderement(e), selderement en elemallement. De s in selderement en seldrement is een voorgevoegde s die uit Gods kan zijn overgebleven. Ook selderij of selder kan op de vorming invloed hebben gehad. Boven de grote rivieren is het woord niet meer gebruikelijk. De Baere (1940: 134-135) geeft nog andere varianten. Ik noem: by alle delementen, by de melementen (door metanalyse ontstane vorm uit by den elementen) en voorts o elementen; o sakerelemente; (by) gans elementen; o selement; och sellement; by sellimenten; pots seldrement; elderemente; by den elderemente; (o) ellemalementen; gants ellemallementen; gans zakker eelemalementen; akkerelemalementen; zakker mastboomenhout en zakker malemasten. → gans, sakker.

P.H. van Laer (1964), Vreemde woorden in de sterrenkunde, 2e druk, Groningen

Element (< Lat. eleméntum = beginsel, grondstof). Fundamentele grootheid. In de astronomie vooral gebruikt in de betekenis van baanelementen, d.z. de fundamentele grootheden die van een hemellichaam de baan en de plaats in de baan op een bepaald tijdstip bepalen.

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Element (Lat. eleméntum = beginsel, begin, grondstof; in deze betekenis komt deze term het eerst voor bij Cicero (106—43). 1. Enkelvoudige chemische stof; 2. toestel dat in staat is een electrischen stroom te leveren; 3. samenstellend deel of bepalende grootheid; b.v. baanelementen.

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Element (< Lat. elementum; vert. van Gr. στοῖχειον, dem. van στοῖχος = rij. τὰ στοιχεῖα oorspr. letters van het alphabet).
1) In de Griekse wiskunde wordt onder de Elementen (τᾶ στοιχεῖα) van een wetenschap een systeem van definities, grondstellingen en afgeleide stellingen verstaan, die bij de verdere beoefening van die wetenschap als algemeen bekend kunnen worden aangenomen en die daarom zonder bewijs kunnen worden geciteerd. Vd. de betekenis eerste beginselen.
2) De eenvoudigste grondvormen, die in een meetkundig systeem voorkomen, b.v. punt, lijn en vlak in de driedimensionale meetkunde.
3) In verwanten zin heten zijden en hoeken van een driehoek wel de elementen daarvan. 4) I.h.a. eenvoudigste bestanddelen, b.v. elementen van een determinant, van een verzameling.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

element ‘hoofdstof; eenheid’ -> Indonesisch élemén ‘hoofdstof; door elektra gloeiend hete draad (cel)’; Javaans almén ‘(elektrisch) element; zaklantaarn’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

element hoofdstof, eenheid 1265-1270 [CG Lut.K] <Frans of Latijn

element persoon in genoemde (negatieve) hoedanigheid 1989 [Sterkenburg, Taal van het Journaal]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

548. In zijn element zijn,

d.w.z. zich thuis gevoelen, in zijn schik zijn, zich welbehagelijk gevoelen. Element moet hier worden opgevat als dat, wat voor het dierlijke leven onontbeerlijk is, vermoedelijk in toespeling op lucht en water, buiten welke geen dier kan leven (zie Weiland). Zoo is dus een visch in het water in zijn element, en een vogel in de lucht, enz. (vgl. Bank. II, 380). Vgl. hiermede hij is in zijn knollentuin, in zijn koeweide, in zijn klavergras (zie De Bo), in zijn bouw; fri.: hy is yn syn bou naast hy is in syn ellemint (Ndl. Wdb. III, 765), in zijn doeninge zijn (Teirl. 335) en in zijn weer zijn (Joos, 94; Antw. Idiot. 1425). Zie Tuinman I, 159; 302; II, 105; Sewel, 212: Hy is in zyn element als hy speelen mag, he is very happy when he may play; Harreb. I, 182 b; Ndl. Wdb. III, 4065; vgl. het hd. in seinem Element sein; fr. être dans son élément; eng. to be in one's element; oostfri. in sin fârwater wesen (Dirksen I, 26).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal