Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

elegant - (sierlijk, verfijnd, geraffineerd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

elegant bn. ‘sierlijk, verfijnd, geraffineerd’
Vnnl. Verchierende haer worden, elegant ornatelic ‘hun woorden versierend, op fraaie wijze smaakvol’ [1548; WNT versieren I], seer soet vloeyende veirsen elegant ‘zeer zoetvloeiende, stijlvolle verzen’ [1582; WNT vloeiend]; nnl. Jonker Elegant, Een Heertje vol van zwier [1777; WNT trant], een elegante equipage ‘een smaakvol, chique rijtuig en paard’ [1784; WNT wit I], een zeer elegant modern kastoorhoedje ‘een zeer sierlijk, smaakvol modern vilthoedje’ [1809; WNT kastoorhoed], een veel elegantere oplossing ‘veel mooiere, bevredigender, passender oplossing’ [1936; WNT relais], elegante villawijk ‘chique, rijke villawijk’ [1954; WNT villa].
Ontleend aan Frans élégant ‘smaakvol, select’ [1150 (zeldzaam tot de 15e eeuw); Rey], of rechtstreeks aan Latijn ēlegāns (genitief -tis) ‘stijlvol, smaakvol, kunnende kiezen’, teg.deelw. van een hypothetisch werkwoord *ēlegāre, verwant met ēligere ‘uitkiezen’, gevormd uit → ex- ‘uit’ en legere ‘uitlezen, kiezen’ (zoals in → selecteren, en zie → legende). De grondbetekenis van elegant is dus ‘met zorg gekozen’.
Elegant wordt in het Vroegnieuwnederlands gezegd van fraai vormgegeven taal; in het Nieuwnederlands gaat elegant met name slaan op een sierlijke en smaakvolle levenswijze.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

elegant [bevallig] {1784, vgl. elegantelijck 1582} < frans élégant < latijn elegantem, 4e nv. van elegans [fijn, beschaafd, smaakvol, sierlijk], nevenvorm van eligens, teg. deelw. van eligere [wieden, zorgvuldig uitzoeken], van ex [uit] + legere [(uit)kiezen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

elegant bnw., eerst laat-nnl., evenals nhd. elegant (sedert begin 18de eeuw) < fra. élégant < lat. elegans ‘kieskeurig’, een bijvorm van eligens deelw. van eligere ‘uitkiezen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

elegant bnw., nog niet bij Kil. Evenals nhd. elegant (sedert de 18. eeuw) enz. uit fr. élégant (< lat. êlegans “kieskeurig, een goeden smaak bezittend”).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

elegant b.nw.
Sierlik, met fyn smaak, smaakvol.
Uit Ndl. elegant (1784).
Ndl. elegant uit Fr. élégant uit Latyn elegantem, 4de naamval van elegans 'kieskeurig, voorbeeldig, fyn, beskaafd, smaakvol, sierlik', wisselvorm van eligens, die teenwoordige dw. van eligere 'sorgvuldig uitsoek', met lg. uit ex 'uit' en legere '(uit)kies'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

elegant (Frans élégant)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

elegant ‘bevallig’ -> Indonesisch élégan ‘bevallig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

elegant bevallig 1784 [WNT wit I] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut