Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

eland - (zoogdier (geslacht Alces))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

eland zn. ‘zoogdier (geslacht Alces)’
Onl. elo ‘soort hert’ [944; Oorkondenboek van het Sticht Utrecht 107a]; mnl. elen in helenhuut ‘elandenhuid’ [1350-1400; MNW elenhuut], elant in elantsche huyt ‘id.’ [ca. 1489; MNW]; vnnl. eelandt ‘eland’ [1567; Claes 1997].
Omdat het dier in de vroege Middeleeuwen in Nederland is uitgestorven wordt meestal aangenomen dat het huidige woord (in tegenstelling tot het Oudnederlandse elo) is ontleend aan Vroegnieuwhoogduits elen, elent ‘eland’ [ca. 1255; Albertus Magnus, De animalibus] dat zou teruggaan op Litouws élnis (< Oudlitouws ellenis) ‘eland’, te vergelijken met Oudkerkslavisch jelenĭ ‘hert’. Dit woord zou een oudere vorm uit Proto-Germaans *elha- hebben verdrongen. Maar het lijkt ook mogelijk dat, net als bij → arend, de verbogen vormen van *el(a)ha- tot een nieuwe nominatief op -n hebben geleid, die later een paragogische -t heeft gekregen. Minder wrsch. is de opvatting van Pijnenburg, die in de vorm op -nt een rest ziet van een oude nt-stam zoals ook in het Slavisch, met bijv. Russisch los' ‘eland’ (< pie. *olḱis) naast Pools łoszę ‘veulen’ (< pie. *olḱient-).
Ohd. elaho ‘eland’ (nhd. Elch); oe. eolh (< *elha-) (ne. elk); < pgm. *elha- ‘eland’. Daarnaast met grammatische wisseling en met andere ablaut ook pgm. *algi-, met daaruit Latijn alcēs bij Caesar en Grieks álkē bij Pausanias. Deze vorm ligt met umlaut weer ten grondslag aan on. elgr ‘eland’ (nzw. älg).
Alle woorden voor eland behoren uiteindelijk bij een wortel pie. *h1el-, *h1ol- ‘hert, hertachtige’, waarbij o.a. ook Grieks élaphos ‘hert’, Tochaars A yäl ‘antilope’ behoren.
Bij vroege auteurs is eland ook de aanduiding voor andere hertachtigen zoals rendieren [1654; WNT], in Zuid-Afrika wordt het ook voor antilopen gebruikt [1652; WNT versch I].
Lit.: Lloyd/Springer 1029-1032; W. Pijnenburg (1987) ‘De staart van de eland. Een etymologische coupure’, in: LB 76, 305-314

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

eland [hertengeslacht] {elen, elant 1456-1489} < verouderd hoogduits elen(d) < litouws elnis, verwant met oudkerkslavisch jelenĭ [hert], grieks ellos [ree].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

eland znw. m., laat-mnl. elen, maar ook elant < vroeg-nhd. elen, elend (nhd. elentier) < lit. elnis (olit. ellenis), vgl. osl. jelenĭ ‘hert’ < grondvorm *olnia, waarmee te vergelijken gr. ellós (< *elnos) ‘jong hert’ en kymr. elain ‘hinde’ (IEW 303).

Dit woord verdrong het oude inheemse germ. woord ohd. elaho, oe. eolh < *elχa- (reeds bij Rom. schrijvers: alces mv. bij Caesar, álkē bij Pausanias) waarnaast *elga- in on. elgr. — Daarnaast idg. *olkis in russ. losǐ en *ḷko- in oi. ṛśa- ‘antilopebok’. — Beide namen zijn afleidingen van een idg. wt. *el ‘rood, bruin’, waarmee zowel diernamen (zoals alk en misschien zelfs lam) als boomnamen (zie: els en olm) afgeleid zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

eland znw., laat-mnl. ēlen (m.?) Uit het Duitsch, evenals ouder-de. elend(s)dyr (de. elsdyr). Nhd. elentier o., ouder elen(d), mnd. ēlen-, ēlent- (in samenst.) komt zelf weer van lit. élnis “eland” ( = obg. jelenǐ “hert”); in het Germ. bestond van ouds de hiermee verwante stam *elχa(n)-, ohd. ëlaho m. (nhd. elch), ags. eolh m., waarnaast *alʒi-(uit *olḱí-) in on. elgr m., de. zw. elg (eng. elk komt uit het Noorsch) = russ. los’ “eland”, verwant met oi. ṛ́çya-”mannetjesantiloop”. Lat. alcês (Caesar), gr. álkē (Paus.) “eland” zal wel uit het Germ. ontleend zijn. Met n-formans buiten ’t Balt.-Slav: ier. elit (*el ṇ-ti-) “ree”, gr. élaphos (*el-ṇ-bho-) “hert”, ellós (*el-nó-) “jong hert”, arm. ełn “hinde”. Fr. élan uit het Germ. Men heeft al deze woorden als “hoorndier” willen verklaren. ’t Element *el- “horen” zou dan nog in arm. ełungn “nagel”, ełǰiur, ełjeur “horen, hoornen trompet”, gr. el-éphās “ivoor” en in eelt met verwanten voorhanden zijn. Zie nog lam I.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

eland. Mnl. ook al ēlant in ēlantsce huyt. — I.pl.v. de. zw. elg lees: noorw. elg, zw. älg.
Het element *el-, dat in de woorden uit verschillende idg. talen voorkomt, en waarvoor het art. als mogelijke bet. ‘hoorn’ vermeldt, zou volgens een andere opvatting een kleurnaam zijn, vgl. ohd. ëlo, ëlawêr ‘geelbruin’, oi. aruṇá- ‘roodachtig, goudgeel’. Het laatst is deze verklaring verdedigd door Petersson PBB. 40, 109 vlgg. Niet onmogelijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

eland m., Mnl. elant, nevens elont en elen, uit Hgd. elent, d.i. *elh-and van Ohd. elaho (Mhd. elche, Nhd. elch), Ags. eolh, waarnevens met ablaut en gramm. wechsel On. elgr (Zw. en De. elg): Idg. *elk-, *olk-; daarnevens met nas. i.p.v. gutturaal Gr. élaphos, ellós = hert, Arm. eln = hinde, Oier. elit = ree, Os. jelenǐ, Lit. élnis = hert: misschien = hoorndier, verwant met eelt. Uit het Germ. Fr. élan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

eland s.nw.
Groot S.A. wildsbok wat soos 'n os lyk met gedraaide, reguit horings.
Uit Ndl. eland (1654) 'hert', wat daarop dui dat die Europese soort van die S.A. soort verskil. Reeds by Van Riebeeck (1651 - 1662) in die meervoudsvorm elanden.
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1786).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

eland: S.A. antiloop (Taurotragus oryx, fam. Bovidae), so reeds by vRieb elanden; die Eur. en Am. soorte (o.a. Alces alces, Cervus elaphus, C. megaceros, almal fam. Cervidae); Ndl. eland (Lmnl. elen/elant (n.a. v. elantsce huyt)) via Hd. elen(d)/elentier aan Lit. elnis ontln.; Fr. élan wsk. uit Hd., terwyl Gr. ellos, “jong hert”, ’n assv. uit een v. dié tale kan wees; eland loop deureen m. wd. wat deur die meeste etim. as verw. beskou word, nl. Eng. elk (Oeng. eolh), On. elgr, wat blb. verb. hou m. Lat. alcē(s), “hert”, en Gr. alkê, “krag”, (later) = Gr. elaphos, “hert”; vraag of Lat. en Gr. uit ander Eur. tale of andersom nog nie uitgemaak nie, ook nie of wd. sem. verb. hou m. “horing” (dan verb. gesoek m. eelt) of m. kleur “geelbruin” (dan verb. gesoek m. boomn. els en olm); v. ook Scho PD 13-4.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

eland (Middelhoogduits elen)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

eland ‘herkauwer’ -> Engels eland ‘elandantilope’ ; Deens eland ‘elandantilope’ ; Noors † eland ‘elandantilope’; Zweeds eland ‘grote Afrikaanse bosantilope’ ; Pools eland ‘Afrikaanse bosantilope’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

eland herkauwer 1456-1489 [MNW] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut