Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

eigenschap - (bijbehorend kenmerk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

eigen bn. ‘van iemand of iets zelf, vertrouwd’
Onl. egan (zn.) ‘bezit’ [950-1000; CG II, ONW]; mnl. eighin (bn.) [1268; CG I, 128], eigen, egen ‘(onder)horig, wat van ons zelf is’, ook bijv. in eigenmaken ‘zich toe-eigenen’ [1240; Bern.]. Daarnaast als werkwoord mnl. eigen, egen ‘moeten hebben, krijgen, ontvangen’ in Soe eygen die nichten ... [1471; MNW]. Als zn. bovendien mnl. eighen ‘eigendom’ [1236; CG I, 22].
Het bn. is wellicht oorspr. een verl.deelw. bij het gelijkvormige preterito-presens-werkwoord (zie ook bij → durven).
Het bn. heeft cognaten in: os. ēgan; ohd. eigan (nhd. eigen); ofri. ēgen, ēin; oe. āgen (ne. own); on. eiginn; < pgm. *aigan-. De cognaten van het werkwoord hebben veelal dezelfde vorm: os. ēgan; ohd. eigan (mhd. eigen); ofri. ēgen, ēin; oe. āgan (ne. own); on. eiga (nzw. äga); got. (fair-)aihan; < pgm. *aihan-, *aigan-; alle met de betekenis ‘hebben, bezitten’. Als zn. met de betekenis ‘eigendom, bezit’: ohd. eigan, mhd. eigen; got. aigin.
Verwanten buiten de Germaanse talen zijn wrsch. Sanskrit īś- ‘bezitten’; Avestisch aēśā- ‘vermogen, bezit’; Tochaars B aik-, aiś- ‘kennen, weten’; bij de wortel pie. *h2(e)ik- ‘bezitten, vermogen’ (IEW 298).
Het Middelnederlandse eigen was een multi-functioneel woord (werkwoord, bijvoeglijk en zelfstandig naamwoord) dat veel van zijn betekenissen en functies heeft overgedragen op nieuwere vormingen. Zo is de specifieke betekenis eigen ‘onvrij, als persoon een meester toebehorend’ overgegaan op de samenstelling lijfeigen (bn.), later gesubstantiveerd tot lijfeigene.
Het werkwoord eigen ‘moeten hebben, krijgen’ kwam ook voor met te plus infinitief in de betekenis ‘behoren, verplicht zijn’, zoals nog in het Engelse cognaat ought to; en als onovergankelijk werkwoord met de betekenis ‘passen, voegen’, zoals nog in Duits sich eignen. In het Nederlands kennen we nu alleen nog zich toe-eigenen en kan de lading van het oude werkwoord veelal worden gedekt door het bijwoord → eigenlijk.
De belangrijkste betekenis van het zn. mnl. eigen, in feite een substantivering van de onzijdige vorm van het bn., is overgegaan op → eigendom. De betekenis ‘bezitter’ [1460-1514; MNW] kwam ook voor en hoort nu bij eigenaar. Een zeer oude samenstelling van het zn. met ver- is nog te vinden in → vracht. Als zn. komt eigen nu alleen nog voor in de vaste verbinding zijn eigen (ook met mijn etc.) ‘zich(zelf)’, zoals op zijn eigen wonen, kijk naar je eigen, ik ga m'n eigen wassen, en dan vooral in het Zuid-Nederlands
Andere samenstellingen met eigen zijn nog → eigenaardig, → eigengereid, → eigenlijk en → eigenwijs.
eigenaar zn. ‘bezitter’. Mnl. eygenaer [1508; MNHWS]. Afleiding met het achtervoegsel → -aar. ♦ lijfeigene zn. ‘persoon die iemand toebehoort’. Vnnl. lijfeygen ‘slaaf’ [1573; MNW]. Samenstelling met → lijf ‘lichaam’, in het Middelnederlands ook ‘leven’. ♦ toe-eigenen (zich) ww. ‘in bezit nemen’. Mnl. toegeeechent ‘toegekend’ [1393-1402; MNW]; vnnl. Hem seluen toeeygene ‘zich toe-eigenen’ [1573; WNT]. ♦ eigenschap zn. ‘kenmerk’. Mnl. eygenscap ‘eigendom’ [14e eeuw; MNW], eigenscap ‘eigenschap’ [14e eeuw; MNW]. Afleiding met het achtervoegsel → -schap. In het Middelnederlands kwam vooral de betekenis ‘eigendom’ voor, en daarnaast nog diverse andere abstracte, inmiddels reeds lang verouderde betekenissen, zoals ‘eigenaardigheid’, ‘eigendomsrecht’, ‘lijfeigenschap’. De huidige betekenis is vanaf ongeveer de 18e eeuw de enige. ♦ eigendom zn. ‘bezit’. Mnl. eigindom ‘bezit’ [1236; CG I, 29], eigendum ‘horigheid, (menselijk) bezit’ [1240; Bern.]. Ook mhd. eigentuom (nhd. Eigentum); ofri. ēgendōm. Afleiding met het achtervoegsel → -dom.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

eigenschap* [bijbehorend kenmerk] {1461} ongeveer synoniem met middelnederlands eigendom, middelnederduits egenskap, middelhoogduits eigenschaft; van eigen + -schap.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

eigenschap znw. v., mnl. eigenschap (evenals eigendom) ‘eigendomsrecht, slavernij (in mystieke geschriften) eigenschap’, zo ook mhd. eigenschaft, mnd. ēgenskap. — Zie: -schap en eigen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

eigendom, eigenschap znww., beteekenden beide in ’t Mnl. gew. “eigendomsrecht, slavernij”, minder vaak (vooral in mystieke geschriften) “eigenschap”, ’t Eerste woord is ook reeds mhd. mnd. ofri., ’t tweede laat-ohd. mhd. mnd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Eienskap snw. Segsw.: Dit gee eienskap, dit spreek vanself. – Volgens die Ndl. Wdb. III. 4007, is eigenschap hebben, toepaslik wees, in algemene gebruik verouderd; Van Dale gee nog “dat heeft geene eigenschap, dat past niet” as gewestelik op. Vgl. verder Ter Laan 31: “Dat gaf gijn ygṇschap, dat past niet bij elkaar;” Dijkstra I, 326: “Eigenskip jaen, rijmen, “klappen”, passen. Dat jowt wol eigenskip, dat laat zich hooren, is wel waarschijnlik” (Fries jaen, gee).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

eigenschap (Duits Eigenschaft)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

eigenschap bijbehorend kenmerk 1461 [MNW] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut