Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

eigenlijk - (echt, werkelijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

eigenlijk bn. ‘echt, werkelijk’
Mnl. eigenleke ‘id.’ [1240; Bern.], eigheleec, eighenleke ‘zelf, van de eigen persoon’ [1380-1400; MNW-P], eychelic, eichentlic ‘in eigendom’ [1406-48; MNW], eigentlike ‘zelf, meer bepaaldelijk?’ [1470-90; MNW-P], properlic of eigentlick ‘bepaaldelijk of eigenlijk’ [1479-1517; MNW-P].
Gevormd uit → eigen en het achtervoegsel → -lijk.
Mnd. egentlik; mhd. eigen(t)lich (nhd. eigentlich); nzw. egentlig (< mnd. of vnhd.).
Net als in het Duits heeft de betekenis zich in het Nederlands al vroeg ontwikkeld van het letterlijke ‘eigen, van zichzelf’ naar de huidige. In het moderne Nederlands is het gebruik als bn. vrijwel beperkt tot de schrijftaal. Het bijwoord eigenlijk is daarentegen bijzonder gebruikelijk en is zich zelfs aan het ontwikkelen tot een modaal partikel. In het Middelnederlands wordt ook de vorm eigentlijk aangetroffen, met epenthetische -t- zoals die tussen -n- en -lijk wel vaker voorkwam. Na het wegvallen van de Nederlandse eind-n viel in de uitspraak, en daarmee ook in de spelling, ook de -t- weg. Daar waar de -n werd gehandhaafd, zoals in ordentelijk (zie onder → orde 1) en in Duits eigentlich en Zweeds egentlich (bn.) en egentlichen (bw.) zijn juist de vormen met -t- blijven bestaan.
Lit.: Schönfeld 1970, par. 164

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

eigenlijk* [waar, echt] {eigenlijc [eigen, van ons zelf, eigenaardig, werkelijk, juist], als bijw. eigenlike [op de wijze van een eigen man, in dienstbaarheid, uit gehechtheid aan het vergankelijke, in eigendom, in werkelijkheid] 1201-1250} middelhoogduits eigenlich [eigenaardig, uitdrukkelijk], oudfries egenlik [eigen], oudengels ægendlīce, oudnoors eiginligr.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

eigenlijk bnw., mnl. eighenlijc ‘eigen’, oostmnl. ook ‘eigenaardig, werkelijk, juist’, als bijw. eighentlike (in mystieke teksten ‘in werkelijkheid’), mhd. eigenlich ‘eigenaardig, uitdrukkelijk’ (nhd. eigentlich), ofri. egenlik ‘eigen’, oe. āgendlīce, on. eiginligr.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

eigenlijk bnw., mnl.eighenlijc “eigen”, oostmnl. ook “eigenaardig, werkelijk, juist”; ’t bijw. eighentlike in verschill. bett., o.a. in mystieke teksten = “in werkelijkheid”. In verschillende bett. reeds een mhd. mnd. ofri. woord.

[Aanvullingen en Verbeteringen] eigenlijk. Ook al ags. âgenlîc “proprius”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

eigenlijk. Ook reeds ags. (v.Wijk Aanv.) en on.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

eintlik b.nw. Ook eigenlik en eigentlik.
Wesenlik.
Uit Ndl. eigenlijk (1201 - 1250). Reeds by Van Riebeeck (1651 - 1662) in die vorm eyntelick. Volgens Mansvelt óf uit eigenlijk, óf verwar met eindelijk, soos toe (1884) nog in Neder-Betuwe, gedeelte van Gelderland, bekend.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

eintlik: “wesen(t)lik”, wv. v. eigen(t)lik (by vRieb reeds eyntelick); v eie en einste.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

eigenlijk (Duits eigentlich)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

eigenlijk ‘waar, echt’ -> Deens egentlig ‘waar, echt’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors egentlig ‘feitelijk’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds egentlig ‘waar, echt, feitelijk’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands eigentlik ‘waar, echt’; Papiaments eigenlijk ‘waar, echt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

eigenlijk* waar, echt 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut