Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

eigengereid - (eigenwijs, niet luisterend naar goede raad)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

eigengereid bn. ‘eigenwijs, niet luisterend naar goede raad’
Nnl. eigegereede Edellieden ‘zelfgemaakte edelen’ [1731-35; WNT], eigengereid ‘zelfgemaakt’ gezegd van stoffen [1928; WNT trappen I]; ‘dwars, eigenzinnig’ [1872; Dale met indicatie “gewestelijk”].
Gevormd uit → eigen en het verl.deelw. van het werkwoord reiden, een gewestelijke variant van reden ‘klaarmaken’, zoals in → gereed, → bereid, → redderen. Af en toe komt dan ook eigengereed voor.
Het woord verschijnt in de oostelijke dialecten van het Nederlands in de betekenis ‘zelfgemaakt’ met name gezegd van stoffen. Uit deze betekenis is de overdrachtelijke van ‘eigengerechtig’ ontstaan: hij was 'n eigen gereide kerel [1915; WNT].

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal