Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ego - (ik, eigenwaarde, persoonlijkheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ego zn. ‘ik, eigenwaarde, persoonlijkheid’
Nnl. (als persoonlijk voornaamwoord) Dan zou 't ligt eens kunnen beuren/ Dat ego, ik, eens ... kuieren quam ‘Dan zou het makkelijk eens kunnen gebeuren/ dat ego, ik, eens wandelen ging’ [ca. 1720; WNT treuren], alter ego (zn.) ‘ander ik’ [1838; WNT jakhals], ego ‘het bewuste ik’ [1961; Dale], ‘gevoel van eigenwaarde’ [1984; Dale], ‘persoonlijkheid’ [1999; Dale].
Ontleend aan het persoonlijk voornaamwoord Latijn ego ‘ik’ (verwant met → ik), maar in het Nederlands nu alleen als zn. gebruikt.
Voor de verbreiding van ego-woorden is volgens Grauls vooral het Engels van invloed geweest, waarin al in de 18e eeuw vele afleidingen gebruikelijk waren. Het Engelse ego werd toen vooral humoristisch gebruikt en ook in nnl. wordt het aanvankelijk in lichtere literatuur aangetroffen. In 1886 werd het zelfstandig naamwoord ego in het Frans geintroduceerd als vertaling voor het door Kant [1724-1804] als filosofische term gebruikte Duitse zn. das Ich ‘het bewuste, denkende ik’. Later onderscheidde men in de psychologie onder invloed van Freud naast het ego ook het superego ‘boven-ik’, dat evenwel beperkt bleef tot het jargon van psychologen.
Lit.: Grauls 1960

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ego [ik] {ca. 1720} < latijn ego [ik], verwant met grieks egō, armeens es, oudindisch aham, gotisch ik, oudhoogduits ih (hoogduits ich), oudengels ic (engels I), nederlands ik. Van Nietzsche stamt de uitspraak: ‘overal waar ik ga, volgt mij een hond genaamd Ego’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ego s.nw.
Die ek.
Uit Ndl. ego (1843) of Eng. ego (1789).
Ndl. ego en Eng. ego uit Latyn ego 'ek'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ego: “die ek”, veral in geleerde (bv. sielk.) werke; geleerde ontln. a. Lat. ego wat beantw. aan Afr. ek (q.v.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ego ‘ik-gevoel’ -> Indonesisch égo ‘ik’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ego ik-gevoel 1843 [Aanv WNT] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut