Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

egelantier - (struik uit het geslacht Roos (Rosa rubiginosa))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

egelantier zn. ‘struik uit het geslacht Roos (Rosa rubiginosa)’
Mnl. egelentier [ca. 1300; MNW], eglentier [ca. 1340; MNW balsamier]; vnnl. eghelentier ‘wilde roos of bosroos, hondsroos’ [1599; Kil.]; nnl. eg(e)lantier ‘wilde roos’.
Ontleend aan Oudfrans eglenter [1080; Rey], aiglantier, eglentier [eind 11e eeuw; TLF] (Nieuwfrans églantier), een afleiding van aiglent ‘rozenbottel’ [11e eeuw; TLF], een afleiding van het vulgair-Latijnse bn. *aquilentum, ontwikkeld uit *aculentem ‘rijk aan doorns’, dat gebaseerd is op Latijn aculeātus ‘stekelig’, van aculeus ‘punt’, dat zelf afgeleid is van acus ‘naald’, zie → acuut, → eg.
Reeds uit de omschrijving bij Kiliaan in 1599 blijkt dat het woord verschillende heesters kan aanduiden. Het WNT vermeldt naast de wilde roos ook nog de hondsroos en de duinroos.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

egelantier [roosachtige heester] {eglentier ca. 1225} < frans églantier, oudfrans aiglent [idem] < vulgair latijn ∗aequilentum, teruggaand op latijn aculeus [angel, punt, steek], van acus [naald] (vgl. acuut).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

egelantier znw. m., mnl. eglentier, eg(g)elentier < fra. eglentier ‘egelantier, wilde roos’ van ofra. aiglent ‘rozebottel’ < gallo-roman. *aculentus, eig. ‘stekelig’, afgeleid van lat. acus ‘naald’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

egelantier znw., mnl. eglentier, e(g)gelentier m. Uit fr. églantier, ofr. eglentier “egelantier, wilde roos” (van ofr. aiglent “rozebottel” < lat. *acuculentus).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

egelantier. De grondvorm lat. *acuculentus voor ofr. aiglent is onwsch. Aan het ofr. woord zal wel een gallo-rom. afl. van lat. aculeus ‘angel, scherpte’ ten grondslag liggen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

egelantier m., Mnl. eglentier, uit Fr. églantier, van Mlat. aculentarium (-us) = boom met stekels, afgel. van Lat. aculeus = stekel, dimin. van acus naald (z. aar 2.)

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

egelantier roosachtige heester 1225 [Claes] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut