Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

eg - (het scherp van een mes)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

eg2* [het scherp van een mes] {egge 1277} oudsaksisch eggia, oudhoogduits ecka (hoogduits Ecke), oudfries eg(ge), oudengels ecg (engels edge), oudnoors egg, van een i.-e. stam met de betekenis ‘scherp zijn’, waarvan ook komen latijn acer [scherp], grieks akōn [werpspies], iers ochair [hoek, rand] → neg.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

eg 2 znw. v. ‘scherp van een mes, kant, zelfkant’, mnl. egghe, os. eggia ‘scherpe kant, zwaard’, ohd. ecka ‘scherpe punt, zijde’ (nhd. ecke), ofri. egge, eg ‘scherpe kant, zwaard, hoek, partij’, oe. ecg ‘punt, scherpe kant, zwaard, hoek’ (ne. edge), on. egg ‘punt, scherp van een zwaard’. — Grondvorm *agjō, vgl. lat. acies ‘scherpte, slagorde’, gr. akís, ‘punt, prikkel’, osl. osla ‘wetsteen’, i-afl. van de idg. wt. *ak: *ok vgl. gr. akḗ, akōkḗ ‘spits, snede’, ákōn ‘werpspies’, lat. acēre ‘zuur zijn’ (IEW 19). — Zie ook: aar 1.

Deze wortel heeft in het germ. vele afleidingen die niet alle in het nl. voorkomen, zoals mhd. ag ‘baars’, nzw. ag ‘moerasgras’, agga ‘steken, plagen’, on. uggr ‘vrees’, noorw. dial. ugge ‘vin ‘; oe. awel ‘vork’, on. soð-āll ‘vleesvork’; ohd. agana (nhd. ahne), on. ǫgn, got. ahana ‘kaf’; on. ǫgr ‘soort baars’. — Zie verder ook: eg, egge 1. — Afleidingen zijn verder eggig ‘stomp (van de tanden)’, mnl. egghich ‘id.’ en ‘met scherpe hoeken’, mnd. eggich, nhd. eckig en eggerig ‘wrang, zuur, scherp’, mnl. eggherich ‘met hoeken en punten’, maar Kiliaen ‘wrang, zuur, scherp’ (vgl. met gelijke betekenis-ontwikkeling lat. acerbus, acidus).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

eg, egge II (scherp van een mes, kant, zelfkant; dial. ook zelf-eg “zelfkant”), ook in de ndl. diall. (in den vorm eg, ech enz.), mnl. egghe v. “id.”, ook “hoek”; een ander woord dan ’t vorige, eg I. = ohd. ecka v. “scherpe punt, scherpe zijde” (nhd. ecke), os. eggia v. “scherpe kant, zwaard”, ofri. eg(ge) m. “scherpe kant, zwaard, hoek, partij”, ags. ecg v. “punt, scherpe kant, zwaard, hoek” (eng. edge, ook “zelfkant”), on. egg v. “punt, scherp van een zwaard”. Vgl. voor de bet.-ontwikkeling oord. Dit woord behoort bij de wijd verbreide idg. basis ā̆ḱ-, oḱ- “scherp zijn”, een variant van oq- (zie eg I): vgl. o.a. ier. ochair “hoek, rand”, lat. âcer “scherp”, gr. ákōn “werpspies”, obg. ostrŭ, lit. asztrùs “scherp”, alb. áϑεtε “scherp, zuur”, arm. asełn “naald”, oi. áçri- ”hoek, scherpe kant” (het laatste misschien met idg. o = gr. ókris “bergtop, spits”).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

eg II, egge (scherp van een mes, enz.). Zie nog neg. Ofri. egg is m.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

egge 2 v. (scherp van een mes, zelfkant), Mnl. egghe, Os. eggia + Ohd. ecka (Nhd. ecke), Ags. ecg (Eng. edge), Ofri. eg, On. egg (Zw. id. De. eg) + Skr. açriṣ, Gr. akís, Lat. acies = spits, Osl. ostrŭ = scherp, van Idg. wrt. , (egge 1).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut