Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

eg - (landbouwwerktuig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

eg zn. ‘landbouwwerktuig’
Mnl. egghe ‘hoek’ [1277; CG I, 352], die scarpe egghe ‘de scherpe punt’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], egghe ‘de scherpe kant van een wapen’ [1350; MNW], eene egghe metter sledde ‘een eg met slede’ [1300-1450; MNW]. Daarnaast egede ‘eg’ [1240; Bern.], eeghden (mv.) ‘eggen’ [1330; MNW].
In het Middelnederlands bestonden naast elkaar de woorden egge ‘punt, hoek’, bij uitbreiding ook ‘snijdend werktuig’; en eegde ‘eg’. Vanwege de puntige pennen op de eg, en onder invloed van het werkwoord eggen, kon het woord egge gemakkelijk de betekenis van eegde overnemen. Eegde, dat daarop uit de standaardtaal verdween, bestaat nog wel in diverse Nederlandse dialecten.
Met mnl. egge zijn verwant: os. eggia ‘scherpe kant, zwaard’; ohd. ecka ‘scherpe punt, kant’ (nhd. Ecke ‘hoek’); ofri. eg(ge) ‘id.’; oe. ecg ‘scherpe punt; zwaard’ (me. egg; ne. edge ‘hoek, rand’); on. egg ‘hoek, snede’ (nzw. egg ‘snijzijde (van mes e.d.)’); uit pgm. *agjō- ‘scherpe punt’ (waarbij ook bijv.ekster). Met mnl. eegde ‘eg’ zijn verwant (in dezelfde betekenis): os. egitha (mnd. ēgede); ohd. egida (mhd. egede); ofri. eide (nfri. eide); oe. egðe; uit pgm. *agidō- ‘eg’. Het werkwoord eggen heeft verwanten in: os. eggian; ohd. eggen; oe. ecgan; < pgm. *ag-jan-. Het Hoogduits heeft een analoge ontwikkeling gekend als die in het Nederlands: eerst mhd. egede, later vnhd. Egge ‘eg’ onder invloed van het werkwoord eggen.
Met mnl. egge en pgm. *ag-jō- zijn onder meer verwant: Latijn ācer ‘scherp’ (Frans aigre ‘zuur, scherp’), ācies ‘scherpte’, acētum (zie → azijn en → edik); Grieks okrís ‘punt’, ákōn ‘werpspies’, akmḗ ‘punt’ (zie → acne); Middeliers och(a)ir ‘hoek, rand’; Sanskrit aśri- ‘hoek, scherpe kant’; Litouws aštrùs ‘scherp’; Oudkerkslavisch osla ‘wetsteen’; bij de wortel pie. *h2eḱ-, *h2oḱ- ‘scherp’ (IEW 19). Mnl. eegde en pgm. *ag-idō- ‘eg’ stammen van dezelfde pie. wortel, maar dan met achtervoegsel *-idō < *-iþō < pie. *-et(e)h2), dat werd gebruikt voor het vormen van namen voor gereedschappen. Verwante woorden met datzelfde achtervoegsel zijn: Latijn occa ‘eg’ (uit *otikā door metathese uit *okitā); Welsh oged ‘eg’; Litouws akėčos ‘eg’ < *h2oḱ-et(e)h2 ‘eg’ (IEW 22).
eggen ww. ‘met een eg de bodem gelijkmaken’. Mnl. egghen [1330; MNW]. Afleiding van eg.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

eg1*, egge [landbouwwerktuig] {egede, egde, egge 1330} limburgs eegde, eegd, oudsaksisch egitha, oudhoogduits egida, oudfries eide, oudengels egeðe, van het ww. eggen, middelnederduits eggen, oudhoogduits ecken; buiten het germ. latijn occa, grieks oxinè, welsh oged, litouws aketės [eg], akėti [eggen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

eegde znw. v., gewestelijk en verouderd woord voor de ‘eg’; zie: eg 1.

eg, egge 1 znw. v., mnl. egghe, laat-mhd. egge is afgeleid uit het ww. eggen. Dit jonge en weinig verspreide woord verving het oudgerm. woord *agiþō, vgl. mnl. eghede (nnl. eegde), mnd. egede, eide, os. egitha, ohd. egida (mhd. egede), ofri. eide, oe. egeðe (het suffix -iþō < idg. -etā werd voor het vormen van gereedschapsnamen gebruikt evenals oe. sigðe ‘zeis’ naast lat. secare en in de vorm -iþōn: ohd. erida ‘ploeg’). De germ. stam beantwoordt aan een idg. *oketā, vgl. lat. occa (< *otikā door metathesis uit *okitā, vgl. Hirt, IF 37, 1917, 230), okymr. corn. ocet ‘eg’, lit. akė́čios, ekė́čios ‘eg’ en met andere formatie gr. oksínē ‘eg’ (IEW 22).

Gewoonlijk gaat men uit van het woord eegde, een formatie, die tot de italisch-keltisch-germaanse taalgroep behoort en dus binnen het idg. als jong te beschouwen is. Uit dit znw. zou dan het ww. eggen zijn gereconstrueerd, en ten slotte zou daaruit weer het woord egge zijn ontstaan. Dit lijkt wel zeer gecompliceerd. Evenals oe. sigðe en ohd. erida naast zich een ww. vooronderstellen, dat de handeling aanduidt (het gereedschap is immers benoemd naar het werk waartoe het dient), zo vooronderstelt ook germ *agiþō een ww. *agjan, waarvan eggen de regelmatige voortzetting kan zijn. — Daar het vaak voorkomt, dat landbouwwerktuigen, nadat zij technisch verbeterd zijn, een nieuwe naam krijgen (vgl. os. erida naast het latere ploeg) zo werd ook het oude *agiþō vervangen in het ngerm. door harfr en in het oe. door harwe (ne. harrow). Er is dus geen bezwaar voor het oudgerm. reeds een ww. *agjan aan te nemen, waarnaast als werktuignaam *agiþō stond. — Het idg. *oketā is een afleiding van een idg. wt. *ok, ak, waartoe het woord eg 2 behoort; daar zijn de verwante woorden aangegeven.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

eg, egge I (occa), mnl. egghe v. “eg” naast gewoner ēghede v., dat nog in de meeste nnl. diall. (eegd, eid enz.) de gebruikelijke benaming is. Dit ēghede = ohd. egida, os. egitha, ofri. eide, ags. egeðe v. “eg”, germ. *aʒiþô-. Ndl. eg(ge), nhd. egge v. zijn gevormd bij het ww. mnl. nnl. eggen, mnd. (waaruit nhd.) eggen = ohd. ecken > germ. *aʒjanan. Germ. aʒ- < idg. oq-, vgl. kymr. oged, lat. occa, gr. oxínē, lit. akėczos, akétės “eg”, akėti “eggen”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

egge 1 v. (werktuig), Mnl. egghe, uit eggen, dat ook in ’t Hgd. overging en er het regelmatige ecken verving; daarnevens dial. eegde, Mnl. eghede, Os. egitha + Ohd. egida, Ags. egeđa (Eng. edge), Ofri. eide + Gr. oxínē, Lat. occa, We.. oged, Lit. akėczos, van den Idg. wrt. oq, bijvorm en synon. van wrt. (z. aar 2).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

eg I: bep. landbouwerktuig; Ndl. eg/egge (Mnl. egghe/ēghede, dial. Ndl. eegd/eid), Hd. egge, hou verb. m. Lat. occa, “eg”; hiernaas Afr. ww. eg/egge/êe (q.v.).

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Egge, landbouwwerktuig om de groote kluiten van bouwgrond te breken, of zaad met aarde te bedekken; afgel. van het ww. eggen, mnl. eggen, mnd. eggen, ohd. ecken, hgd. eggen, verwant met lat. occare (eggen) en grie. oxinès (zuur). In dialecten komt nog voor een verwant eegde, mnl. eghede, ohd. egida, os. egilha, ofri. eide.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Egge van den Idg. wt. ak = scherp zijn; ook de scherpe kant van een mes heet wel egge; vgl. ’t Mnl.: „So scarp waren der swaerde egghen”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

eg ‘landbouwwerktuig’ -> Noord-Sotho ege ‘landbouwwerktuig’ ; Tswana êgê ‘landbouwwerktuig’ ; Zuid-Sotho ege ‘landbouwwerktuig’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

eg* landbouwwerktuig 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut