Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

effect - (uitwerking; bewijs van aandeel; richtingverandering van een bal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

effect zn. ‘uitwerking; bewijs van aandeel; richtingverandering van een bal’
Mnl. effect ‘uitwerking, werk’ [1456; MNHWS]; vnnl. effect ‘uitwerking, werk’ [1599; Kil.], effect ‘uitwerking’ [1653; WNT], een rijck in ladingh leggende Schip en ander Effecten ‘... zaken van waarde’ [1660; WNT]; nnl. Obligatiën en Effecten van deze Beurs ‘... waardepapieren ...’ [1807; WNT], effecten ‘bewijzen van aandeel’ [1844; Weiland], effect ‘richtingverandering van biljartbal’ [1919; WNT Supp. attaque], ‘richtingverandering van bal bij tennis en tafeltennis’ [1951; WNT topspin].
Ontleend aan Latijn effectus ‘gevolg, resultaat, werking’, bij het werkwoord efficere ‘tot stand brengen, produceren, veroorzaken’, gevormd uit → ex-, dat voltooiing uitdrukt, en facere ‘maken, doen’ (verwant met → doen, zie ook → feit). Bij de eerste attestaties is overname uit Oudfrans aifait [1272], effect [13e eeuw; Rey], effet [1430; Rey] minder wrsch., daar de -c- in het Frans niet werd uitgesproken (hoewel zij onder invloed van het Latijn soms wel werd geschreven).
De betekenis ‘bewijs van aandeel’ stamt pas uit de 19e eeuw, toen de handel in deze papieren op gang kwam. Deze betekenis is ontleend aan het Duitse zn. mv. Effekten ‘effecten; goederen, bagage’ of aan Frans ‘waardepapier, aandeel’. Ook de betekenis ‘richtingverandering van een bal’ ontstaat in de 19e eeuw; de term ‘een bal met effect spelen’ werd toen alleen nog gebruikt bij het biljartspel [1898; Dale]. Dit is wellicht een leenbetekenis uit het Duits, dat het zn. Effet ‘richtingverandering van een bal bij het biljartspel’ weer ontleende aan het Frans effet ‘richtingverandering van een bal’.
effectief bn. ‘doelmatig, effect hebbend’. Vnnl. effective ‘inderdaad, metterdaad [1643; WNT]; nnl. ’werkelijk, daadwerkelijk [1735; WNT], ‘doelmatig, effect hebbend’ [1902; WNT blokkade]. Ontleend aan Frans effectif ‘wezenlijk; effect hebbend’ [1464; Rey] < Latijn effectīvus ‘scheppend, uitoefenend’ bij het bovengenoemde werkwoord efficere.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

effect [uitwerking] {1456 in de betekenis ‘uitwerking’; de betekenis ‘bewijs van aandeel’ 1807} < latijn effectus [gevolg, uitwerking, werkzame bestanddelen], van efficere (verl. deelw. effectum) [tot stand brengen, veroorzaken], van ex [uit] + facere [maken, doen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

effect znw. o., eerst sedert Kiliaen, die als bet. opgeeft ‘uitwerking, werk’ en ‘de zaak zelf, afloop van een zaak’ < lat. effectus. — In de bet. ‘schuldbrieven’ naar fra. effets.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

effect znw. o., sedert Kil.; bij dezen = “Effectus, effectio, opus, opera” en “Res ipsa, exitus rei”. Van lat. effectus “uitvoering, gevolg”. Effecten “bezit, schuldbrieven” naar fr. les effets. Ook elders ontleend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

effek s.nw.
1. Uitwerking. 2. (ekonomie) Verhandelbare bewys van 'n aandeel in 'n lening of die kapitaal van 'n onderneming. 3. Indruk.
Uit Ndl. effect (al Mnl. in bet. 1, 1807 in bet. 2, 1866 in bet. 3).
D. Effekt, Eng. effect.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

effect’ (de/het, -en), (ook, hist.:) plantage* (A.1). Ook de plantage had mij goed bevallen. Het was werkelijk een mooie effect (Bartelink 38). - Etym.: Veroud. AN e. = o.m. goed, bezitting, vooral onroerend; echter bij Stedman (1796: 46): E effect = plantage.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

effect ‘uitwerking, afloop’ (Latijn effectus); ‘schuldbrief’ (Frans effet)

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Effect (Lat. efféctus = uitvoering, werking, gevolg; effícere = tot stand brengen, uitvoeren, bewerkstelligen; < → ex- (3), + fácere = doen, werken). Alles wat door een of andere oorzaak wordt tot stand gebracht; verschijnsel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

effect ‘uitwerking’ -> Indonesisch éfék ‘uitwerking’; Menadonees èfèk ‘uitwerking’.

effect ‘verhandelbaar waardepapier’ -> Indonesisch éfék ‘verhandelbaar waardepapier’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

effect uitwerking 1456 [HWS] <Latijn

effect verhandelbaar waardepapier 1807 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut