Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

eerbied - (hoogachting)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

eerbied zn. ‘hoogachting’
Vnnl. eerbied ‘id.’ [1643-44; WNT]. Ouder, met dezelfde betekenis, is mnl. eerbiedinge ‘eerbied’ [MNHW], eerbyedynge [1477; Teuth.], nog nnl. eerbieding [1808; WNT], maar nu verouderd, evenals het iets latere eerbiedenis [1635; WNT], nog in 1822 (WNT).
Afleiding van het verouderde werkwoord eer-bieden ‘eer bieden’ [1599; Kil.], mnl. (enen) ere bieden ‘(iemand) eer bieden’ [1340-60; MNW-P], zie → eer 1 en → bieden. Een tussenstap tussen het werkwoord en het zn. is misschien het bn. eerbiedig, zoals ook → almacht is afgeleid uit almachtig, bouwval uit → bouwvallig en Duits Ehrfurcht ‘eerbied’ uit ehrfürchtig.
eerbiedig bn. ‘met eerbied, met schroom’. Vnnl. facil, goedertierich, eerbiedich oft gewillich [1553; WNT goedertierig], eerbiedich ‘met eerbied’ [1615-17; WNT schimmeren]. Afleiding van het werkwoord eerbieden. ♦ eerbiedigen ww. ‘eer bieden’. Vnnl. [1637; WNT]. Gevormd onder invloed van het bn. eerbiedig naast het oudere en inmiddels verouderde eerbieden [nog in 1859; WNT].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

eerbied* [achting] {1643-1644} gevormd uit iemand eer bieden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

eerbied znw. m., eerst na Kiliaen, gevormd van de uitdrukking mnl. ēre bieden, Kil. eer-bieden.

eerbied [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 231-232 [1969].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

eerbied znw., nog niet bij Kil. Van Kil. eer-bieden, mnl. êre bieden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† eerbiedig bnw. Waarschijnlijker is van mnl. êre bieden eerst de samenst. afl. eerbiedig (Kil. eerbiedighlick ‘reverenter’, vgl. hd. ehrerbietig) gevormd en daaruit het znw. eerbied geabstraheerd: v.Lessen Samengest. Naamw. 116.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

eerbied m., niet een samenst., maar stam van de uitdr. eer bieden, als één woord opgevat.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

eerbied ‘achting’ -> Fries earbied ‘achting’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

eerbied* achting 1643-1644 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut