Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

eer - (vroeger)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

eer 2 vgw.; bw. ‘voordat; vroeger’
Onl. ēr (vz.) ‘voor’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. eer ‘voor, voordat’ [1240; Bern.], eer, ere (bw.) ‘eerder, vroeger’ [1285; CG II, Rijmb.], voorzetsel met 3e of 4e naamval: eer een jaer ‘voor een jaar’ [14e eeuw; MNW].
Os. ēr ‘vroeger, voordien’; ohd. ēr, ē (mhd. ē(r), nhd. eher, ehe); ofri. ēr; oe. ǣr (ne. ere (arch.) ‘voordat’, early ‘vroeg’); got. airis ‘voorheen’; < pgm. *airiz, de bijwoordelijke comparatief van pgm. *air, waaruit on. ár ‘vroeg’ (nzw. arla ‘vroeg in de morgen’) en got. air. Daarnaast staat de bijvoeglijke comparatief pgm. *airizō, met daaruit mnl. eerre (zie → eerder).
De stellende trap *air, die oorspr. ‘vroeg op de dag’ betekent, is verwant met Grieks ẽri (< *ājeri) ‘vroeg’, ḗrios ‘in de ochtend’, en Avestisch ayarə ‘dag’; wrsch. uit pie. *h2eier-, *h2eien- ‘dag, morgen’ (IEW 12), dat misschien de wortel pie. *h2ei ‘branden, stralen, schitteren’ heeft (IEW 11).
Het gebruik van *airiz als bijwoord, voegwoord en voorzetsel is algemeen West-Germaans. In het hedendaagse Nederlands is de functie van voorzetsel uitgestorven, al herinnert eerlang ‘weldra’ (mnl. eer iet lanc ‘eerlang’) hier nog aan. De ontwikkeling van bijwoord naar voegwoord is wrsch. verlopen via de combinatie eer plus voegwoord dat, dat later afsleet (eerdat > eert > eer), maar plaatselijk nog zeer frequent is.
Andere woordparen waarbij, net als bij eer naast eerder, het verschil tussen bijwoordelijke en bijvoeglijke comparatief bewaard is gebleven, zijn min (in min of meer) naast → minder en → bet- (in betweter, betovergroot-) naast → beter. De superlatief van eer heeft in het Nederlands → eerst opgeleverd.
eertijds bw. ‘voorheen’. Mnl. eertijts ‘vroeger’ in aent Cooker straetien eertijts Coxstraetien ‘aan het Cooker straatje, voorheen Coxstraatje’ [1297; CG I, 2382]. Samenstelling met het zn.tijd en met een bijwoordelijke → -s. ♦ eerdaags bw. ‘een dezer dagen’. Nnl. eerdaags [19e eeuw; WNT]. Ontstaan uit ouder eerstdaags, vnnl. eerstdaeghs [1629; WNT], wrsch. door vereenvoudiging van de uitspraak onder invloed van verbindingen als eerlang ‘voordat lange tijd is verstreken’ en eertijds. Het is dus oorspr. een samenstelling van eerst met de genitief van het zn.dag.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

eer1* [vroeger] {oudnederlands ēr 901-1000, middelnederlands ere, eer} oudsaksisch, oudhoogduits ēr, oudengels ær, gotisch airis, is de comparatief van een woord voor ‘vroeg’ dat gotisch air en oudnoors ār luidt, vgl. grieks eri ['s morgens vroeg], èërios [in de morgen, vroeg]; van eer is vervolgens eerder als nieuwe vergrotende trap gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

eer 2 bijw. en voegw., mnl. eer, êre ‘eer, voorheen’, onfrank. os. ohd. ēr (nhd. eher, ehe), oe. ær (ne. ere), got. airis ‘eer, voorheen’; adverbiale comparatief van got. air, on. ār ‘vroeg’. — gr. ē͂ri (comp. < *āi̭eri) ‘vroeg’, ēérios ‘in de morgen’, aériston ‘ontbijt’, av. ayarə ‘dag’; het woord betekent dus eig. ‘vroeg in de morgen’. — Zie verder: eerder, eerst, eerdaags en eergisteren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

eer II bijw. en voegw., aan de vroegere functie als voorzetsel herinnert nog eerlang bijw., sedert Kil.: mnl. eer iet lanc. Uit mnl. eer, êre (zelden ee) “eer, voorheen”, ook voorz. en voegw. = onfr. ohd. os. ofri. êr (nhd. eher, ehe), ags. æ̂r (eng. ere), got. airis “eer, voorheen”. Compar. van got. air, on. âr “vroeg”, ospr. “vroeg op den dag”, verwant met gr. ẽri “in de vroegte” uit *ā[j]er-i, ā́riston “ontbijt” uit *a[j]eri-sto-n, av. ayan-, ayar- “dag”. Het gebruik van *airis als bijw., voegw. en voorz. is algemeen wgerm. — De superl. is mnl. nnl. eerst = ohd. os. êrist (nhd. erst), ofri. êrost, êr(i)st, âr(i)st, ags. æ̂rest, bnw. en bijw.; de adjectivische compar. ohd. êr(i)ro, ofri. êrra, ârra, ags. æ̂rra, got. airiza (het laatste ook = “voorzaat”) komt in het Mnl. zelden als eerre voor. Nnl. eerder bijw., nog niet bij Kil, is een secundaire nnl afl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

eer 1 bijw. (vroeger), Mnl. id., Onfra. en Os. êr + Ohd. êr (Mhd. êr, Nhd. eher), Ags. æ’r (Eng. ere), Ofri. ér, Go. airis. Het is de adverb. compar. (z. bet) van *eer, Mnl. eer en ee, Os. ér + Ohd. êr (Mhd. êr en ê, Nhd. ehr, ehe), Ags. æ’r, Ofri. ér, On. ár, Go. air = vroeg + Av. ayar- = dag, Gr. ēri = in de vroegte, Oier. an-air = uit het oosten. De vormen zonder r staan tot die met r als Hgd. da tot dar. De adj. comp. eerder is Mnl. eerre + Ohd. êriro, Go. airiza, staande tot eer als beter tot bet.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

ie, ier (vw.) voordat; Aajdnederlands er <901-1000>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

ee, vw.: eer, voordat, vooraleer. Zoals D. ehe ‘voordat’, dat zich in het Mhd. als voegwoord uit het bijwoord ‘vroeger’ ontwikkelde. D. eher, Ohd. êr ‘vroeger’, Mhd. ê(r), Os., Mnd. êr, Mnl. , Ndl. eer, Got. airiz, eigenlijk een adverbiale comparatief ‘eerder’. De oorsponkelijke vorm schuilt in Got. air, On. âr ‘vroeg’ en is verwant met Gr. êri ‘vroeg, ’s morgens’ en Avestisch ayar ‘dag’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

eer ‘vroeger’ -> Negerhollands eer ‘vroeger, voor’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

eer* bijwoord van tijd: vroeger 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ā̆ier-, ā̆ien- ‘Tag, Morgen’, n.

Av. ayarǝ, Gen. ayąn n. ‘Tag’.
Gr. Lok. *ἀ(ι̯)ερι- in ἄριστον (aus *ai̯eri-d-tom, zu ed- ‘essen’) ‘Frühstück’ (unkontrahiertes ἀέριστον noch herstellbar Hom. Ω 124, π 2); dehnstufiges *ἀ̄(ι̯)ερι in der Ableitung ἠέριος ‘morgendlich’, kontrahiert in ἦρι ‘morgens’. Anders Risch 105.
Got. air, aisl. ār, Adv. ‘frühe’ (ebenfalls Lok. *ai̯eri), dazu Kompar. got. airiza ‘früher’, Adv. airis = ags. ǣr, ahd. ēr, nhd. eher, ehe; Superl. ags. ǣrest, ahd. ērist, nhd. erst.

WP. I 3, Feist 24b.
Vielleicht zu ā̆i-4.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal