Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

eer - (achting, deugd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

eer 1 zn. ‘lof, hoog aanzien’
Onl. ēra ‘eer, glorie’, en ook unēra ‘oneer, schande’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. eere, ere ‘eer’ [ca. 1200; CGII-1, Servas].
Os. ēra, ohd. ēra ‘genade, eer, roem’ (nhd. Ehre); ofri. ēre ‘eer, verering’ (nfri. eare); oe. ār ‘eer, hulp, genade’ (me. ore); on. eir ‘genade, mildheid, hulp’ (en ook een godinnennaam); < pgm. *aizō ‘eer, verering, achting’.
Verwantschappen buiten het Germaans zijn niet zeker. De pgm. vorm kan met het werkwoord got. aistan ‘achten, ontzien’ worden teruggeleid tot pie. *h2eis- ‘eerbiedig zijn, vereren’ (IEW 16). Deze wortel kan met een dentale uitbreiding pie. *h2eiz-d- wellicht ook aanwezig zijn in Sanskrit īḍē ‘ik vereer, roep aan’ en mogelijk in Grieks aidṓs ‘eer, ontzag’.
In de Middeleeuwen speelde eer een zeer belangrijke rol. Het duidde lange tijd het aanzien aan dat iemand in de maatschappij genoot en dat hij door zijn daden en gedrag moest verwerven; later werd het meer een zedelijk begrip.
eren ww. ‘eer bewijzen, hoogachten’. Onl. g(eh)ēron ‘eren’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. eren [1240; Bern.]; nnl. eren. ♦ eerbaar bn. ‘fatsoenlijk, deugdzaam’. Mnl. eirbare [1409; Stall.], eerbaer ‘eerlijk, fatsoenlijk’ [1450-1500; MNW]. Gevormd met het achtervoegsel → -baar. ♦ eerbetoon zn. ‘blijk van verering’. Nnl. in tot eerbetoon aan den persoon van zijne Majesteit den Koning [1852; WNT plechtig], ook eerbetooning [1842; WNT uit]. Gevormd uit eer en het zn. bij het werkwoord → betonen. ♦ eerloos bn. ‘zonder eer’. Mnl. eerloes ‘id.’ [1298; CG I, 2542]. Gevormd met het achtervoegsel → -loos. ♦ eerzaam bn. ‘fatsoenlijk, braaf’. Mnl. eersaem ‘heilig, rein, prachtig, verstandig nuttig’ [1254; CG I, 64]. Gevormd met het achtervoegsel → -zaam. ♦ eerzucht zn. ‘begeerte naar eer of roem’. Vnnl. eer-suchte ‘ambitie’ [1599; Kil.], als genitief in een eens ghezint, ontworstelt mensche / Van gheld-liefds, eerzuchts, staatziekts strik [eind 16e eeuw; WNT openhartig]. Samenstelling met → zucht ‘ziekte, begeerte’, misschien volketymologisch geassocieerd met zocht bij het werkwoord zoeken; eerzucht laat zich immers, behalve als ‘ziekelijke begeerte naar roem’ ook heel goed definiëren als ‘het zoeken naar eer of roem’. ♦ eerzuchtig bn. ‘begerig naar eer of roem’. Vnnl. enen eerzuchtigen (gesubstantiveerd) [1585; WNT kijvekater]. Afleiding van eerzucht.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

eer2* [achting, deugd] {oudnederlands era 901-1000, middelnederlands e(e)re, eer} oudsaksisch, oudhoogduits era, oudfries ere, oudengels ār, waarnaast met een dentaalstam gotisch aistan [achten], latijn aestimare, grieks aidesthai.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

eer 1 znw. v., mnl. êre ‘eer, aanzien, eergevoel, deugd’, onfrank. ēra ‘coronam’, unēra ‘ignominiam’, os. ēra ‘eer, bescherming, genade, gave’, ohd. ēra ‘eer, roem, eergevoel’, ofri. ēre ‘eer, verering’, oe. ār ‘eer, hulp, genade’, on. Eir ‘naam van een godin’. — Germ. grondvorm, *aizō vgl. westgerm. godinnenamen als Alaesiagis, Alaisiagis (I. Lindquist, Galdrar 21-9). — osk. abl. aisusis ‘door offers’. Daarnaast staat een stam met dentaal, vgl. got. aistan ‘achten, ontzien’ en gr. aídomai ‘ontzag hebben, vereren’, oi. īḍē ‘vereer, prijs, roep aan’ (Bezzenberger BB 4, 1878, 313 en IEW 16). — Zie: eren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

eer I znw., mnl. êre v. “eer, aanzien, eergevoel, deugd”. = onfr. êra (“coronam”, unéra “ignominiam”), ohd. êra v. “eer, roem, eergevoel” (nhd. ehre), os. êra v. “eer, bescherming, genade, gave”, ofri. êre v. “eer, vereering”, ags. âr v. “eer, hulp, genade”, on. Eir v. “een godin”; in ʼt Got. ontbreekt toevallig *aiza. Verwant zijn wellicht osk. aisusis “sacrificiis”,umbr. esona “sacras”, Hes. aisoí· theoì hupó Turrēnõn; ook gr. hierós, hiarós “heilig”? Van de verlengde basis aizd- komt got. aistan “achten, ontzien” (niet lat. aestumâre “waardeeren, schatten”; niet < *aizditumâre), wsch. ook oi. ī́ḍe “ik loof, vereer, roep aan”, volgens sommigen ook gr. aídomai “ik vereer, vrees” (aid- < *aizd-).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

eer 2 v. (honneur), Mnl. ere, Onfra. en Os. êra + Ohd. êra (Mhd. êre, Nhd. ehre), Ags. ár (Meng. ore), Ofri. ére, On. eir (Zw. ära, De. ære), Go. aistan = vereeren, met afwisseling van r en s als in was, waren + Skr. iḍe (d.i. izde) = ik vereer, Gr. aídomai = vereeren, vreezen, Lat. aestumare (d.i. *aizditumare) (Fr. estimer).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

ier (zn.) eer; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) ier, Aajdnederlands era <901-1000>.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Ere wie ere toekomt, de eer (van iets) moet gegeven worden aan wie zij toekomt; dikwijls met de implicatie: en niet aan iemand anders.

Deze elliptische zin is genomen uit de passage waarin Paulus de gemeente maant de overheid te eren: 'Betaalt aan allen het verschuldigde, belasting aan wie belasting, tol aan wie tol, ontzag aan wie ontzag, eerbetoon aan wie eer toekomt' (Romeinen 13:7, NBG-vertaling). De oude vorm ere is bewaard uit de oudere vertalingen; de vorm van de frase als geheel is echter niet zo in de bestaande vertalingen terug te vinden. De toepassing is verruimd tot iedere situatie waarin men de juiste persoon lof wil toezwaaien voor iets dat hij of zij gedaan heeft.

Liesveldtbijbel (1526), Romeinen 13:7. Aldus geeft nv yegelijcken wat ghij sculdich sijt, dien schot, die den scot behooret, dien tol, dien tol behoort, dien vreese, dien vreese behoordt, dien eere, dien eere behoort.
In het Hollands plassengebied zie je momenteel dan ook veel sloepen en vletten. Bijna iedereen die aan of bij het water woont, heeft er een, of wil er een. Ere wie ere toekomt, Bouw van Wijk is daar voor een groot deel verantwoordelijk voor. (Waterkampioen, 1994, nr.17)
In het artikel in onze maandageditie [...] stond onder meer te lezen, dat de burgemeester zelf een zeer bekend ex-wedstrijdzeiler in de regenboogklasse was. Dit is echter niet juist. Niet de burgemeester, maar zijn zoon Allard was dat. Ere wie ere toekomt... (Meppeler Courant, mei 1993)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

eer. In het Middelnederlands komt voor sem mine eer ‘waarlijk, bij mijn eer’ of ‘zo waarlijk helpe mij mijn eer’. Deze eedformule werd in het zeventiende-eeuws tot op mijn(e) eer. IJdel gebruik maakt haar tot uitroep en vloek.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

eer ‘achting, deugd’ -> Deens ære ‘achting, deugd’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors ære ‘aanzien, waardigheid, achting, hulde, deugd’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds ära ‘achting, deugd’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands eer ‘respect’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

eer* achting, deugd 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1588. Iemand te na gaan (komen of spreken),

d.w.z. iemand beleedigen, krenken; vooral in de uitdr. ‘iemands eer, kroon, goeden naam te na gaan, afbreuk doen, raken, kwetsen, beleedigen’; mnl. enen te na (of te naer) gaen, te zeer in de nabijheid komen van iemand, hem met een vijandelijk doel naderen (Mnl. Wdb. II, 879) en enen naer gaen, iemand kwellen, waarvan het mnl. adj. nagingel, kwetsend, beleedigend; synoniem was enen sere naken, op iemand aandringen, hem te lijf gaan. Vgl. Vondel's Leeuwendalers, vs. 509: Ay spreeck zoo reuckloos niet: dat gaet mijn eer, mijn kroon, ja Venus kroon te na; Halma, 365: Iemand te na komen, iemand beleedigen of in zijne eere raaken, offenser, choquer ou affronter quelqu'un. Zie De Bo, 725 a, waar enkele plaatsen uit de 16de eeuw van te naer gaen (- komen) vermeld worden; Rutten, 150; Waasch Idiot. 452 a; Antw. Idiot. 1911; Villiers, 84. In Kl. Brab. kent men alleen iemand te naar komen, hem krenken. In 't fri. immen (of eat) to nei kommen; hd. jem. zu nahe kommen.

2577. 's Lands wijs, 's lands eer,

d.w.z. ieder land heeft zijne bijzondere zeden en gewoonten, die men geoorloofd en welvoeglijk acht; vgl. mlat. mutantur mores, quando mutantur honores. Eene spreekwijze, die voorkomt in de Prov. Comm. 452: lands zeede, lands eere, quod terrae mos est hoc terrae semper honos est; Goedthals, 82: lands sede, lands eere, costume vanden lande en is geen schande; on doibt de chose faicte user; Campen, 76: landts wyse Landts eere; Servilius, 208*: des lants wyse is des lants eere; Spieghel, 285: lands wijze, lands eer; Brederoo III, 61, 1465: Lands-wijze zijn landseer; V.d. Venne, 166: Landts zeden, landts reden; zie verder de bij Harrebomée I, 174 a; III, 176 aangehaalde schrijvers; Bebel no. 28 en 522; Gew. Weuw. III, 68; Paffenr. 125; Taalgids V, 145; Wander II, 1765; Ten Doornk. Koolm. III, 562 b; Eckart, 306: so mannig Land, so mannge Wîse, so manngen Kuok, so mange Spîse; fri. lâns wize lans eare; Joos, 167: ieder land heeft zijnen trant; ieder kwartier heeft zijn manier; 168: 's lands wijze, 's lands eer; hd. ländlich, sittlich; fr. autant de pays, autant de guises; eng. as many lands, as many customs.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut