Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

eenzelvig - (eentonig, graag alleen)

Etymologische (standaard)werken

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

eenzelvig

Het is duidelijk dat eenzelvig samengesteld is uit de delen een en zelf met het achtervoegsel‑ig. Daarmee is de oorspronkelijke betekenis van het woord geheel in overeenstemming. Die was namelijk: een en hetzelfde en daardoor: eentonig. Een schrijver uit de Franse tijd zegt: ‘De vaart van Leyden op Utrecht is lang en eenzelvig’. Onder eenzelvig met iets verstond men: samenvallend met, identiek met iets. De oude betekenis leeft nog voort in het werkwoord vereenzelvigen. Men zegt bijvoorbeeld: hij vereenzelvigde zich geheel met zijn werk voor: hij vormde er een geheel mee, identificeerde er zich mee. De huidige betekenis van eenzelvig is: zich weinig met anderen bemoeiend, gaarne alleen, teruggetrokken, op zichzelf.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

eenzelvig bnw., eerst nnl. in de tegenw. bet. Mnl. en bij Kil. = “unus idemque” (hierbij nnl., nog niet bij Kil., vereenzelvigen). Afleiding van een + zelf.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

eenselwig b.nw.
1. Presies dieselfde, sonder afwisseling, eentonig. 2. (ongewoon) Graag alleen, in jouself gekeer, teruggetrokke.
Uit Ndl. eenzelvig (1862 in bet. 1, 1863 in bet. 2). Die woord in bet. 1 is, anders as in Afr., tans ongewoon in Ndl., terwyl dit in bet. 2, ook anders as in Afr., tans gewoon is in Ndl.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut