Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

eenvoudig - (niet ingewikkeld)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

eenvoudig bn. ‘niet ingewikkeld’
Mnl. einuoldeg, en uoldeg ‘eenvoudig, ongecompliceerd; zachtmoedig’ [1240; Bern.], Hi dunct mi eenvuldich als een kint ‘hij lijkt mij onschuldig als een kind’ (Pilatus over Christus) [1291-1300; Diat.], eenvuldege liede ‘simpele lieden’ [1270-90; CG II, Lut.A].
Verlenging met → -ig van een ouder bn. mnl. eenvout, gevormd uit het telwoord → een en een afleiding bij het werkwoord → vouwen.
Andere Germaanse talen hebben bn. zonder -ig: os. ēnfald ‘eenvoudig, waarachtig’; ohd. einfalt ‘rein, eenvoudig’; oe. ānfeald, -fald ‘eenvoudig, waarachtig’; on. einfaldr; got. ainfalþs ‘eenvoudig, simpel’. Daarnaast verschijnt het als tweede lid in onl. tuuifolda ‘tweevoudig’ [10e eeuw; W.Ps.] en in het werkwoord gemanigfaldon ‘vermenigvuldigen’ [10e eeuw; W.Ps.].
In het Middelnederlands bestonden de bn. eenvout en eenvoudig nog naast elkaar; eerstgenoemde is geleidelijk verdwenen. Parallel hieraan loopt de betekenisverandering. De oorspr. betekenis, als leenvertaling van het Latijnse bn. simplex., was ‘eenmaal gevouwen’ en dus ‘duidelijk’. Dit in tegenstelling tot → dubbel dat op Latijn duplex ‘tweemaal gevouwen’ teruggaat. De betekenis ontwikkelde zich later verder tot ‘oprecht, onschuldig’. Via ‘argeloos’ kon dit leiden tot ‘simpel’ en zelfs tot ‘dom’, zoals nog steeds in Duits Einfalt ‘domheid’ met het bn. einfältig ‘dom, onnozel’.
eenvoud zn. ‘simpelheid’. Mnl. eenvoude ‘oprechtheid’ [1300-50; MNHWS]; vnnl. eenvoud ‘simpelheid’ [ca. 1635; WNT]. Wrsch. een terugformatie bij het bn. eenvoudig. In het Middelnederlands is het zn. eenvoud zeldzaam; hier werd gewoonlijk het zn. eenvoudicheit ‘eenvoud, onschuld’ gebruikt

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

eenvoudig* [niet ingewikkeld] {eenvuldich [ongekunsteld] 1201-1250, naast eenvoudich ca. 1350} middelnederduits einvaldich, einvoldich, oudhoogduits einfalt(līh), oudfries ēnfaldech; afgeleid van middelnederlands eenvout, van een + -voud.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

eenvoudig

Het woord eenvoudig heeft tal van betekenissen: niet ingewikkeld, afkerig van weelde, op bescheiden voet levend, argeloos, zonder meer, kort en goed enz.

Wanneer men oude teksten leest, komt men daar ook de vormen eenvouwdig en zelfs eenvouwig tegen. Die brengen ons op het spoor van de afleiding. Er is blijkbaar verwantschap met het werkwoord vouwen. Eenvoudig is dus: eenmaal gevouwen. Het Duits heeft: einfaltig.

Naast eenvoudig komt zelden eenvuldig voor, maar heel gewoon is Drievuldigheid voor Drieëenheid. De betekenisovergang van eenvoudig tot: oprecht, onnozel die het Duitse einfaltig heeft, is toe te schrijven aan de invloed van het Latijnse woord simplex in kerkelijke taal. Sim betekent: één en plico: vouwen. Dit is ons woord simpel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

eenvoudig bnw., mnl. eenvoudich, eenveldich, eenvuldich, mnd. einvaldich, einvoldich, ohd. einfaltig, ofri. ēnfaldech is een afl. van het bnw. mnl. eenvout, os. ēnfald, ohd. einfalt, ofri. ēnfald, oe. ānfeald, on. einfaldr, got. ainfalþs, bestaat uit een en een germ. * falða, dat bij -voud behandeld is. Het znw. eenvoud is eerst nnl. geabstraheerd uit eenvoudig.

Het in alle germ. talen voorkomende woord is door de bekering in gebruik gekomen als vertaling van lat. simplex, dat reeds de bet. van ‘eenvoudig, natuurlijk’ aangenomen had, evenals simplicitas die van ‘onschuld’ (vgl. W. Stammler, Wort und Bild 1962, 164 vlgg.).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

eenvoud, eenvoudig znw., bnw. Het eerst nnl. znw. eenvoud is gevormd bij het bnw. eenvoudig, mnl. eenvoudich (eenveldich, eenvuldich), dat evenals ohd. einfaltîg (nhd. einfältig), mnd. einvaldich, einvoldich, ofri. ênfaldech “eenvoudig” is afgeleid van het bnw. mnl. eenvout (d), ohd. einfalt, os. ênfald, ofri. ênfald, ags. ânfeald, on. einfaldr, got. ainfalþs “eenvoudig”; dit is samengesteld uit *aina- en *falða-: zie -voud. De ontwikkeling van de bet. tot “oprecht” en “onnoozel” in verschillende talen is aan invloed van lat. simplex in bijbel en kerkelijke taal toe te schrijven.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

eenvoud, v. Lessen Samengest. Naamw. 74 denkt aan du. invloed bij de abstractie uit eenvoudig. Dit is niet nodig, vgl. eerbied Suppl.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

eenvoudig (vert. van Latijn simplex)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

eenvoudig ‘niet ingewikkeld’ -> Duits dialect eenfaudich ‘niet ingewikkeld’; Negerhollands eenvoudig ‘niet ingewikkeld, onnozel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

eenvoudig* niet ingewikkeld 1350 [HWS]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal