Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

eens - (eenmaal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

eens 1 bw. ‘eenmaal, ooit’
Onl. einis [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. eens ‘eenmaal, een keer’ [1277; CG I, 352], eer men eens credo hat geseit ‘voor men één keer het credo had gezegd’ [ca. 1350; MNW]. Verder in de combinaties in eens ‘in een keer’ [1806-7; WNT], op eens ‘bij een gelegenheid, tegelijk’ [1844-51; WNT], ‘plotseling’ [1862; WNT]. In onbeklemtoonde positie met afgezwakte betekenis ‘een keer, bij gelegenheid’: soo haest sy maer eens lachte [1621; WNT], en vooral in uitingen met een imperatief; hierin heeft eens een zuiver afzwakkende functie, zoals in Denk eens aan [1782; WNT]; en drukt soms ongeduldigheid uit, zoals in Spreekt nou eens naer jou eygen gevoelen [1676; WNT].
Genitief op → -s van het telwoord → een.
Os. ēnes (mnd. ens); ohd. eines, einēst met secundaire -t, (nhd. einst); ofri. ēnes (nfri. iens); oe. ǣnes, ānes (ne. once met substitutie van het achtervoegsel -ce voor de genitief-s); on. eins (nzw. ens).
De afgezwakte onbeklemtoonde variant heeft zich in de moderne taal tot een modaal partikel ontwikkeld. Dat begint al in de 17e eeuw, zoals blijkt uit de attestaties.
Lit.: Bloem 2000, 62-66

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

eens1* [eenmaal] {1265-1270} met het bijwoorden vormende achtervoegsel s (oorspr. een 2e nv.) gevormd van een.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

eens 1 bijw., mnl. eens ‘eenmaal, op zekere tijd’, mnd. ēns, ohd. eines, ofri. ēnes, oe. ænes (maar ānes > ne. once) ‘eens, eenmaal’ is een bijw. genitief van een. — Daarnaast treedt in het ohd. reeds vroeg einēst op, waaruit nhd. einst.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

eens I bijw., mnl. eens “eenmaal, op zekeren tijd”. = ohd. mhd. eines, mnd. êns, ofri. ênes, ags. æ̂nes (ânes > eng. once) “eens, eenmaal”: een adverbiale genitief van een. Daarnaast het secundaire ohd. einêst (nhd. einst). Vgl. anders.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

eens bijw., Mnl. id. + Ohd. einst(e) (Mhd. id., Nhd. einst, met anorgaan t), Ags. ánes (Eng. once): adverb. genit. van een.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

ins (bijw.) eens; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) ins, iens, Aajdnederlands einis <901-1000>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

eens* bijwoord van tijd: eenmaal 1265-1270 [CG Lut.K]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut