Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

eenheid - (onverdeeldheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

eenheid zn. ‘onverdeeldheid’
Mnl. eenheit ‘eenzaamheid’ [1461; MNW]; vnnl. eenheyt ‘eenzaamheid’ [1621; WNT]; nnl. eenheid ‘de eigenschap van een te zijn’ [1769; WNT], ‘getal of hoeveelheid waarin alle andere soortgelijke hoeveelheden kunnen worden uitgedrukt’ [1739; WNT].
Afleiding met het achtervoegsel → -heid bij het telwoord → een, dus eigenlijk ‘de eigenschap hebben een/alleen te zijn’; wrsch. als vertaling van Latijn ūnitās ‘eenheid’. Ondanks de vindplaats in de 15e eeuw is het woord in het Middelnederlands en Vroegnieuwnederlands zeldzaam. Hier werd meestal mnl. enegheit ‘het alleenzijn; eenheid’ [1240; Bern.] gebruikt, dat dezelfde betekenis had. Pas in de 18e eeuw verschijnt eenheid in de huidige betekenis. De parallellie met het Duits, waar Einheit ook pas in de loop van de 17e en 18e eeuw opkomt, suggereert dat het ook in het Nederlands, misschien mede onder Duitse invloed, in de filosofische terminologie gebruikelijk werd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

eenheid* [hecht samenhangend geheel] {eenheit 1461} middelnederduits einheit, vertaling van latijn unitas.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

eenheid znw. v., een jong woord, reeds bij Ruysbroeck in de betekenis ‘eenheid’ (navolging van lat. unitas) en ‘enigheid’. Ook in het nhd. treedt het woord eerst in de 15de eeuw op. — Vgl. ook mnd. einheit.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

eenheid znw., reeds bij Ruusbroec (“eenheid” en “eenzaamheid”), hd. eerst in de 15. eeuw. In de eerste bet. vert. van lat. unitas.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

eenheid. Ook mnd.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

eenheid (vert. van Latijn unitas of Duits Einheit)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

eenheid* hecht samenhangend geheel 1461 [MNW]

eenheid* team 1989 [Sterkenburg, Taal van het Journaal]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal