Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

eendracht - (eensgezindheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

eendrachtig bn. ‘eensgezind’
Mnl. endregtig ‘overeenstemmend, eensgezind’ (met zuidoostelijke umlaut) [1270-90; CG II, Moraalb.]. Daarnaast ook eendrachtelic [1372; Stall.].
Samenstellende afleiding uit → een en → dracht met het achtervoegsel → -ig.
Mnd. ēndrachtig; laat-mhd. eintrehtec (< mnd.; nhd. einträchtig).
eendracht zn. ‘eensgezindheid’. Mnl. eendracht ‘overeenkomst, verdrag’ [1367; MNW], ‘instemming’ [1469; MNW-P], ‘overeenstemming, eensgezindheid’ [1470-90; MNW-R], met daarnaast de oudere afleiding endregticheit ‘eendracht’ [1276-1300; CG II, Moraalb.]. Terugvorming uit eendrachtig door weglating van het achtervoegsel. In het Middelnederlands had eendracht nog een concrete betekenis en werd het onderscheiden van het abstracte eendrachtigheid. Het is daar in betekenis echter wel naartoe gegroeid en heeft het uiteindelijk (in het Vroegnieuwnederlands) volledig vervangen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

eendracht* [eensgezindheid] {1367 in de betekenis ‘overeenkomst, vennootschap, complot, eenstemmigheid’} van overeendragen [overeenkomen, overeenstemmen, in harmonie zijn].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

eendracht znw. v., laat-mnl. eendracht ‘overeenkomst, eendracht’, mnd. eindracht, ēndracht, laat-mhd. eintracht ‘overeenkomst’ (dit uit nd. overgenomen). Het woord is een abstractum bij uitdrukkingen als mnl. over een draghen, mnd. over ein dragen ‘overeenkomen, overeenstemmen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

eendracht znw., laat-mnl. eendracht v. “overeenkomst, eendracht” (in de laatste bet. gew. eendrachticheit). = laat-mhd. (nhd.) eintracht, mnd. ein-, êndracht v. “overeenkomst”. Samengesteld uit een en dracht van dragen: vgl. mnl. ōver een drāghen, mnd. ōver ein drēgen “overeenkomen, het eens zijn”. Zie eenparig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

eendracht v., Mnl. id. (= verdrag) + Mhd. eintracht (Nhd. id.): z. tweedracht.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

eendracht ‘eensgezindheid’ -> Deens † endragt ‘eensgezindheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors endrakt ‘eensgezindheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds endräkt ‘eensgezindheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Surinaams-Javaans Endrakh ‘plaatsnaam’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

eendracht* eensgezindheid 1367 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

529. Eendracht maakt macht.

Deze woorden, vroeger de wapenspreuk der Republiek, zijn een vertaling van het lat. concordia parvae res crescunt (Sallustius, Jugurtha, 10). Bij ons in de 16de eeuw aangetroffen bij Campen, 42: Eendracht maeckt macht, tweedracht maeckt onmacht (vgl. lat concordia parvae res crescunt, discordia maximae dilabuntur); Spieghel, 282: Eendracht heeft macht. Enich vermagh veel; De Brune, 44: Door eendracht groeyt, al wat men ziet; Tuinman II, 23; Wander I, 790; 798; enz.; fr. l'runion fait la force; hd. Einigkeit macht stark; eng. union is strength.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut