Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

een - (1, onbepaald lidwoord)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

een telw. ‘1’, lw.
Onl. in ēn ‘bijeen’, eino ‘de ene’ [10e eeuw; W.Ps.], ein ‘een’, ook als onbepaald lidwoord [1100; Will.]; mnl. een als telwoord en als onbepaald lidwoord.
Os. ēn; ohd. ein (nhd. ein); ofri. ēn, ān (nfri. ien); oe. ān (ne. one); on. einn (nzw. en); got. ains; < pgm. *aina- ‘een, alleen’.
Verwant met Latijn ūnus (< Vroeglatijn oinos); Grieks oínē ‘één (op een dobbelsteen)’; Oudpruisisch ains, Litouws víenas, Lets viens; Oudiers oin; bij de wortel pie. *oi-nos ‘een’ (IEW 286).
In de meeste Germaanse talen is het woord een ook in gebruik gekomen als onbepaald lidwoord, net als in de Romaanse talen. In het Nederlands moet dat in de loop van de 11e eeuw zijn gebeurd.
Lit.: Alan S. C. Ross & J. Bern (1992) ‘Germanic’, in: Jadranka Gvozdanovic (ed.) Indo-European Numerals (Trends in Linguistics. Studies and Monographs 57), Berlin-New York 1992, 559-561

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

een* [telwoord, lidwoord] {oudnederlands ein 901-1000, middelnederlands een} oudhoogduits ein, oudsaksisch ēn, oudfries ān, ēn, oudengels ān, oudnoors einn, gotisch ains, latijn unus, grieks oinos [één op een dobbelsteen], oudiers óen, oudindisch ena [hij, deze], eka [één].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

een telw. mnl. een, onfrank. ein, os. ēn, ohd. ein, ofri. ān, ēn, oe. ān (ne. one en a, an), on. einn, got. ains; grondvorm *aina. — Idg. *oino vgl. lat. ūnus (< *oinos), gr. oinḗ ‘een op de dobbelsteen’, oi. ēna ‘hij’, osl. -ino (v. Wijk, IF 30, 1912, 382), opr. ains, lit. víenas, lett. viēns, oiers ōin. — Men kan het woord beschouwen als een afl. van de idg. pronominaal-stam *e: *i vgl. os. es, is, ohd. ir, er, iz, ez, ofri. er, got. is ‘hij’, on. es betr. vnw. en verder lat. is ‘deze’, gr. hom. ie͂s. ie͂i, iō̃i, oi. ayam, idam, lit. jìs ‘hij’, oiers ē ‘hij’, ed ‘het’ (IEW 281-6).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

een lidw. en bijv., Mnl. id., Onfra. ein, Os. ên + Ohd. ein (Mhd. en Nhd. id.), Ags. án (Eng. telw. one, lidw. an, vóór medekl. a), Ofri. én, On. einn (Zw. en De. en), Go. ains + Skr. ena- (hij), Arm. ain (= die ginds), Gr. dial. oinós, Lat. unus, Ier. óen, Osl. inu, Lit. vënas.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

ein (telw.) een; Aajdnederlands eino <901-1000>.

eine, ein, ei (onbep. lidw.) een; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) eijne, Aajdnederlands ein <1100>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

een vnw. Ook ene.
'n Sekere persoon of ding, ter vervanging in Afr. van 'n s.nw. ná 'n b.nw. gebruik.
Volgens Changuion (1844) wsk. in navolging van die Friese konstruksie, bv. dat is een mooije een, i.p.v. dat is er een mooije. Volgens Pannevis (1880) uit Eng. that one, the other one 'daardie een/ene', 'die ander een' in Afr. Eerste optekening in vroeë Afr. in 1793 in die frase 'die ander een is nog weg' (Scholtz 1972).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

één, één en al (o.i.d.). Ze blokken* je, één disko* (Cairo 1979b: 58) = Ze houden je op een afstand, één en al discriminatie. Ook bijv.: één knal van jewelste (mond.) = een oorverdovende knal; het was één drukte (mond.) = het was een enorme drukte.
— : één voor de laatste, de op één na laatste. Hij hoorde bij die gelegenheid dat een voor de laatste W.C. door hem [huurder op een erf*] werd gedeeld met twee huizen, liever gezegd woningen*, voor de zijne (Dobru 1968b: 8). - Zie ook: derde*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

’n I: ass. of nasg. in uitspr. na gelang v. frasering en aard v. d. volgende klank (lRo-Pien USW gee 7 gevalle), onbep. lw.; uit Ndl./Afr. een (wat in Afr. s.nw. of telw. kan wees en derhalwe geen klemteken(s) soos in Ndl. ter ondersk. v. lw. vereis nie); vgl. Gron. n (Mole 275).

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

eentje ‘Doe mij er maar eentje.’ ‘En nog maar eentje.’ Deze bestelling moet talloze malen in de kroeg hebben geklonken. In theorie kan er alles mee worden bedoeld, maar in de praktijk wordt eentje vooral gebruikt voor een glaasje jenever. Daarmee behoort het tot de meest gebruikte borrelnamen aller tijden. En tot de saaiste. Om dat laatste te ondervangen zijn er in de loop der tijd allerlei woorden aan eentje toegevoegd om het op te leuken, uit te breiden of te verduidelijken. Alleen al in het oostelijke gedeelte van Noord-Brabant zijn negentien verschillende combinaties aangetroffen. Maar ook elders in Nederland en in Vlaanderen zijn er vele gehoord. Daarbij zijn de volgende vormen te onderscheiden: 1. eentje die in het glas blijft hangen; 2. eentje met een kop erop (een hele volle, soms ook verkort tot kop erop); 3. eentje om de wervelkolom te smeren, — het af te leren; 4. eentje op de goede afloop, — de loopplank (dit is ‘ter afscheid’, zie ook bij glaasje); 5. eentje tegen de dorst, — de koppijn, de kou, de kopzorgen, de loodvergiftiging, de sproeten, de stinkende adem, de stuipen, de tandpijn, de verkoudheid, de wormen, het uitdrogen, zere tanden; 6. eentje uit de stenen fles of kruik; 7. eentje van de brandweer, — de gistfabriek, de stokerij, de weduwe, van onder de tafel (zonder twijfel clandestien gestookte jenever), van vijf [cent], van zes [cent] enzovoort; 8. eentje voor drie centjes, — de koude voeten, onderweg, de slaapluizen; 9. eentje uit de kelderkast.
De lijst is naar believen uit te breiden. De oudste voorbeelden zijn gevonden in het midden van de 19de eeuw. Een spreekwoordenboek uit 1856 vermeldt de uitdrukkingen hij heeft een kinderachtigen smaak in den mond, en neemt er eentje om dien te verdrijven voor ‘hij pakt eene fikschen borrel’, en: hij neemt er één, dun gesneden. De toelichting bij deze laatste uitdrukking luidt: ‘Zoo spreekt de soldaat van een glaasje ligt [licht] bitter.’ Ook erg geliefd in de 19de eeuw was eentje tegen de koude voeten. Deze is in de literatuur vele malen aangetroffen. In het Engels spreekt men wel van one. In het Frans kan met un of une respectievelijk een liter of een fles wijn worden aangeduid.
Vergelijk iets.

[Harrebomée 1:171; Herroem 2, 38, 131; Ter Laan 1952:33-34; Mullebrouck 335; Ritter 71; Stoett 1:273; WNT III2 3861, & XVIII 930]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

een ‘telwoord’ -> Negerhollands een, en ‘telwoord’; Berbice-Nederlands en ‘telwoord’; Skepi-Nederlands en ‘telwoord’; Sranantongo ein ‘telwoord’; Tiriyó ein_me ‘telwoord’.

een ‘lidwoord’ -> Negerhollands een, ēn ‘lidwoord’; Berbice-Nederlands en ‘lidwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

een* telwoord 0901-1000 [WPs]

een* lidwoord 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

175. Op één been kan men niet loopen (of staan).

Deze zegswijze wordt gebezigd om iemand aan te moedigen na een glaasje nog een tweede te gebruiken; ook wel in andere soortgelijke gevallen. Vgl. Slop, 206: Oppassen, je verstand er bij gebruiken, scherpte hij zich zelf in. Toch.... op een been kan-je niet staan.... eentje nog? A. Jodenh. III, 14: Bet neemt het zakje balletjes dat zij bij Brijnie gekocht heeft, en geeft hem een. ‘Is dat alles?’ zegt Sam, aane begabbel, op één been kan 'k nie loope; H.v.Z., 600: Hier, op één been kan je niet staan. Synonieme uitdr. waren hiervoor: Ten gaet geen monic alleen; daer gaet noyt goed Monnick alleen; een goed Monik gaat niet alleen: dit gebruikt men als een beweegreden, wanneer ymand verzoekt om het by een niet te laten blyven, b.v. een glas wyn te drinken, een pyp tabak te rooken, enz. (Tuinman I, 28); de minrebroeders gaen alleen niet; de kapuciens gaan altijd getweeën. Thans nog dial. één soldaat en vecht niet; ze moeten gematen zijn. Zie De Cock1, 283; Antw. Idiot. 192; Harreb. I, 40; II, 88; III, 296-297; Taalgids V, 163; oostfri. up ên bên kan men nêt lopen; fri. op ien foet net gean kinne; fr. vous ne pouvez vous en aller aver (ou sur) une seule jambe; hd. auf einem Beine kann man doch nicht stehen! In het eng. zegt men: wet the other eye!

454. De een zijn dood is de ander zijn brood,

de dood van den een bezorgt een ander een middel van bestaan, doordat hij in diens plaats komt; ook wel in algemeener zin, dat men dikwijls voordeel trekt uit het nadeel van een ander; vgl. lat. lucrum sine alterius damno fieri non potest.; De Brune, 379: 't Verderf van d'een, als nu en dan, ist rijzen van een ander man De zegswijze dateert uit de 16de eeuw; vgl. Trou m. Blycken, bl. 9: Des eens doot is dikwils des anders vrame (voordeel); Tuinman I, 114: Des eenen dood, is des anderen brood, door 't afsterven van den eenen, verkrygt de andere levensmiddelen, door erfenis, door amptvolging, enz.; II, 150; Sewel, 181: De een zyn dood is de ander zyn brood, one's death is another's bread; Ndl. Wdb. III, 2833; Arbeid, 24 Sept. 1913, p. 2 k. 1; Schuermans, 81 b; Waasch Idiot. 182 b; De Bo, 190 b; Antw. Idiot. 304; 1654; Rutten, 41 b; Teirl. 340: iemands dood es iemands brood; fri.: de iene syn skea (schade) is d'oare syn brea. Ook in het hd. de. zwe. en eng. komt de zegswijze voor. Zie Wander IV, 1235: de ên sîn Dôd is de anner sîn Brot (Eckart, 525; Dirksen II, 20); des einen Tod des andern Brot; eng. what is one man's meat, is another man's poison (niet alles is voor allen hetzelfde) naast one man's breath is another man's death.

Hosted by Meertens Instituut