Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

eek - (azijn)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

eek [azijn] {1591-1600} verkort uit edik.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

eik znw., mnl. eike, êke v. “eik” (nnl. eek speciaal = “eikenschors”). De -e in het. Mnl. moet aan den invloed van linde of andere woorden worden toegeschreven. Het Oergerm. bezat wsch. alleen den cons.-stam *aik- v. “eik”: ohd. eih(hh) (nhd. eiche), os. ofri. êk, ags. âc (eng. oak), on. eík v. Buiten het Germ. vgl. lat. aesculus (aes- uit aiĝ-s-) “wintereik”, gr. aig-ílōps “een soort eik”, krát-aigos, krat-aigṓn “een soort boom”, aíg-eiros “zwarte populier”; ten onrechte is lat. îlex “steeneik” met îl- uit igsl- hierbij gebracht. Als lit. dial. anżůlas, lett. ůfůls “eik” verwant is, moet ai- oerbalt. (analogisch) in an- veranderd zijn. Alle verdere combinaties zijn onzeker. Een oudere bet. van dezen idg. boomnaam is niet op te sporen. Voor andere germ. boomnamen, die reeds in het Idg. bestonden, zie berk, beuk I, els I, es, esp, hazelaar, ijf, linde, wilg (ags. sealh, ohd. wîda): eenige andere zijn nog: hd. fichte, föhre (zie vuren I), felber, lehne.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

eek (Oost-Nederlands) ‘azijn’ (Latijn acetum)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut