Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

eega - (echtgeno(o)t(e))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

eega zn. ‘echtgeno(o)t(e)’
Vnnl. ee-gaede ‘id.’ [1588; Kil.], Eega'en (mv.) [1620; WNT wel V], als de ware bruyd of ee-gade [1624; WNT].
Oude samenstelling van ee ‘wet’ (zie → echt 1, → eeuw) en → gade ‘echtgeno(o)t(e)’, dus eigenlijk ‘wettige echtgeno(o)t(e)’.
In het hedendaagse taalgebruik wordt eega bijna uitsluitend in ironische zin of in zeer formele context gebruikt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

eega* [echtgenoot, echtgenote] {eegaede 1588} van ee [wet, huwelijk] (vgl. echt1) + gade [één van een paar, echtgenoot, echtgenote].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

eegade znw. m. v. gevormd uit ee ‘huwelijk, eig. ‘wet’ en gade. Ofschoon Kiliaen het woord als verouderd opgeeft, is het in het mnl. niet bekend (wel eebreken). Invloed van het Duits is niet waarschijnlijk; het woord ee behoeft niet uit nhd. ehe overgenomen te zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

eega, eegade znw. Uit ee “huwelijk”, ospr. “wet” + gade; vgl. dit woord en echt I en echt II. Kil. geeft eegade als verouderd op, maar in het Mnl. kwam het zelden of niet voor. Wellicht gevormd naar ʼt model van Duitsche samenstt. met ehe als 1e lid.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

eega v., + Hgd. ehegatte: voor het tweede lid z. gade; het eerste is het zelfst.nw. *ee = wet, wettig huwelijk (z. echt 2).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ega: “huweliksmaat”; Ndl. eega(de) (Mnl. ee, “wet; huwelik”, by Kil as veroud. eegade), hou verb. m. Hd. ehe; vgl. eggenoot/eggenote; tweede lid gade hou verb. m. Hd. gatte en verderop m. Ndl. te gader, vergaderen, Afr. vergaar/vergader en Eng. gather, together, v. ook eg II en III.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Ega, uit ee, zie Echt en Gade, z. d. w.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

eega* echtgenoot, echtgenote 1588 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut