Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

eed - (plechtige bevestiging)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

eed zn. ‘plechtige bevestiging’
Mnl. eed ‘id.’ [1236; CG I, 29], eet [1227; CG I, 37], eeth [1292; CG I, 1870].
Os. ēð; ohd. eid (nhd. Eid), Langobardisch aidos ‘eedhelpers’ [7e eeuw]; ofri. ēth; oe. āð (ne. oath); on. eiðr; got. aiþs; < pgm. aiþa- ‘eed’.
De overeenkomst in vorm en betekenis met Oudiers óeth ‘eed’ (Welsh an-udon ‘meineed’) is opvallend en kan op verwantschap maar ook op overname uit het Keltisch duiden. Dat laatste komt vaker voor bij woorden op het gebied van de rechtspraak, zie bijv.ambt, → gijzelaar, → rijk 2. De verdere verwantschap is onduidelijk. Het kan behoren bij pie. *h1ei- ‘gaan’, waarbij bijv. ook Grieks oĩtos ‘lot’ behoort. De betekenisontwikkeling is dan duister, al is het mogelijk dat het oorspr. betekent ‘naar voren komen om de eed af te leggen’, vgl. de parallel in Zweeds edgång ‘eedaflegging’ (letterlijk ‘eed-gang’).
beëdigen ww. ‘iemand onder ede iets doen verklaren’. Vnnl. in sonder ... be-eedight te zijn [1599; WNT voorbrengen]; daarnaast ook beëden, in Soo men vrunden be-eedt [1626; WNT]; eerder al zonder voor- en achtervoegsel eden, in Vijf manne daertoe gheset ende gheedet [1340; MNW eden]. Afleiding van eed, eerst met be-, later met be-igen, een ontwikkeling die in het Vroegnieuwnederlands vaker voorkwam, zie → be-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

eed* [plechtige verklaring] {eet 1236} oudsaksisch ēð, oudfries ēth, āth, oudengels (engels oath), oudnoors eiðr, gotisch aiþs; daarnaast oudiers óeth en volgens sommigen door het germ. geleend uit het kelt.; vermoedelijk verder verwant met grieks oitos [doem, noodlot] van eimi [ik ga], oudindisch etaḥ [gaande], dus oorspr. ‘het plechtig gaan naar de eedsaflegging’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

eed znw. m., mnl. eet, os. ēth, ohd. eid, ofri. ēth, oe. āð (ne. oath), on. eiðr, got. aiþs, beantwoordt geheel aan iers oeth ‘eed’. Men heeft vaak gedacht aan een ontlening van het germ. aan het keltisch (d’Arbois de Jubainville, Les premiers habitants de 1’Europe 2, 225 met nadruk op het culturele verschil tussen Kelten en Germanen en G. S. Lane, Lang. 9, 1933, 246), men helt nu meer over tot het aannemen van oerverwantschap (Krahe, Sprache und Vorzeit 1954, 134).

De etymologie is duister. Neemt men samenhang met gr. oítos ‘noodlot’ aan (Meringer, IF 18, 1906, 295), dan kan men misschien aanknopen aan de wortel *ei ‘gaan’, dus in de zin van nhd. eidgang; daarbij herinnert Porzig, Gliederung der idg. Sprachen 1954, 121 eraan, dat de eedaflegger tussen de delen van een offerdier moest schrijden (maar was dit ook germ. en keltisch gebruik?). — Men kan ook verbinden met gr. aínumi, ainéō, ‘prijzen’, aĩnos ‘vertelling, lofrede’, anaínomai ‘ontkennen, verwerpen’ (Osthoff BB 24, 1899, 207) en dan bijv. uitgaan van een bet. ‘toverformule’ (IEW 11). — Misschien is het bedenkelijk voor een uitsluitend germ.-keltisch woord een etymologie van het idg. uit te beproeven.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

eed znw., mnl. eet (d) m. Met dezelfde bet. in het heele germ. gebied: ohd. eid (nhd. eid), os. ofri. êth, ags. âð (eng. oath), on. eiðr, got. aiþs m., oergerm. *aiþa-. = ier. oeth “eed”. Formeel stemt dit woord overeen met gr. oĩtos “lot, noodlot”. Toch is de identiteit onzeker, wegens de bet. Men heeft in germ. *aiþa-, ier. oeth, sommigen ook in gr. oĩ-to-s, een verbaalsubst. willen zien bij den wortel ei- “gaan” (zie bij arbeid), dus *oi-to- = “gang”, vandaar “plechtige rondgang voor de rechtbank” (vgl. de uitdr. gå ed in de zw. wet-taal, ozw. ganga ed): onzeker. Nog minder wsch. is de combinatie met lat. ûtor “ik gebruik”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

eed m., Mnl. eet, Os. êth + Ohd. eid (Mhd. en Nhd. id.), Ags. áđ (Eng. oath), Ofri. éth, On. eiđr (Zw. en De. ed), Go. aiϸs + Oier. oeth.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

eid (zn.) eed; Vreugmiddelnederlands eed <1236>.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

eed (Keltisch of erfwoord)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

eed. In de Middeleeuwen en de 16de eeuw zwoer men by mynen eedt om zijn woorden kracht bij te zetten. Het zonder zwaarwegende redenen gebruiken van zo’n plechtige eed, maakt hem tot vloek en uitroep van verbazing enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

eed ‘plechtige verklaring’ -> Negerhollands eed, eid ‘plechtige verklaring’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

eed plechtige verklaring 1236 [CG I1, 23] <?

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut