Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

edik - (azijn)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

edik zn. ‘azijn’
Onl. mit etige ‘met azijn’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. edec ‘azijn’ [1287; CG II, Nat.Bl.D].
Vroeg leenwoord uit vulgair Latijn *atecum, *adecum, dat met metathese bestond naast klassiek Latijn acētum ‘azijn’, bij het bn. acidus ‘zuur’.
Os. edik (mnd. etik, ettik); ohd. ezzih (nhd. Essig ‘azijn’); on. edik ‘azijn’ (nzw. ättika < mnd.). Daarnaast zonder metathese, en dus wrsch. direct op de klassiek-Latijnse vorm teruggaand: os. ekid; oe. eced; got. akeit ‘azijn’.
Edik hoort bij de woorden uit de wijncultuur die door de Romeinen naar het Germaanse gebied zijn overgebracht, zoals ook bijv.wijn. In het Zuid-Nederlands (behalve Limburgs eek) komt het woord niet voor. De huidige naam → azijn is een jonger leenwoord uit het Frans.
Lit.: L. van den Kerckhove (1949) ‘De namen van de azijn in de Zuidnederlandse dialecten’, in: LB 39, 114-124; A. Weijnen ‘De benamingen van azijn in de Nederlandse dialecten’, in: Jaarboek van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1965, 326 e.v.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

edik [azijn] {edic 1287} voor de etymologie, vgl. azijn.

eek [azijn] {1591-1600} verkort uit edik.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

azijn znw. m., mnl. aisijn, naast aisijl, aisil < ofra. aisil, aisin, dat met een onverklaarde uitgang gevormd is < lat. acētum, vgl. spa. acedo, port. azedo. Afl. van lat. acidus ‘zuur’, acer ‘scherp’ (vgl. gr. óchos ‘wijn-azijn’ bij ochús ‘scherp’).

Lat. acētum werd rechtstreeks ontleend in got. akeit, os. ekid, oe. eced, vgl. nog zwits. achiss, echiss. — Daarnaast stond in het vulg. lat. een metathesisvorm *atēcum, overgenomen als mnl. os. on. edik, mnd. etik, ettik, ohd. ezzih (nhd. essig), dus voor de hd. klankverschuiving. — Voor de talrijke dialectische vormen zie L. v. d. Kerckhove LBijdr. 39, 1949, 114-124.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

eik znw., mnl. eike, êke v. “eik” (nnl. eek speciaal = “eikenschors”). De -e in het. Mnl. moet aan den invloed van linde of andere woorden worden toegeschreven. Het Oergerm. bezat wsch. alleen den cons.-stam *aik- v. “eik”: ohd. eih(hh) (nhd. eiche), os. ofri. êk, ags. âc (eng. oak), on. eík v. Buiten het Germ. vgl. lat. aesculus (aes- uit aiĝ-s-) “wintereik”, gr. aig-ílōps “een soort eik”, krát-aigos, krat-aigṓn “een soort boom”, aíg-eiros “zwarte populier”; ten onrechte is lat. îlex “steeneik” met îl- uit igsl- hierbij gebracht. Als lit. dial. anżůlas, lett. ůfůls “eik” verwant is, moet ai- oerbalt. (analogisch) in an- veranderd zijn. Alle verdere combinaties zijn onzeker. Een oudere bet. van dezen idg. boomnaam is niet op te sporen. Voor andere germ. boomnamen, die reeds in het Idg. bestonden, zie berk, beuk I, els I, es, esp, hazelaar, ijf, linde, wilg (ags. sealh, ohd. wîda): eenige andere zijn nog: hd. fichte, föhre (zie vuren I), felber, lehne.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

edik m., Mnl. edic, omzetting van Os. ekid + Ags. eced, uit Lat. acidum (-us), terwijl Go. akeit, Mndd. etik (waaruit Zw. ättika, De. eddike) en de Hgd. omzetting essig, uit Lat. acetum (z. azijn).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

aatje 1, eetje, etje, jitske, zn.: azijn. Onl. mit etige, Mnl. edec,Vnnl. eeck oft edick ‘du vinaigre’ (Lambrecht), edick, etick ‘azijn’ (Kiliaan). Os. edik, Mnd. etik, Ohd. ezzih, D. Essig. Germ.* atîcu-, met sluiting van ê > i uit volkslat. *atecum, *adecum, door metathesis uit Lat. acêtum ‘azijn’, bij bn. acidus zuur’. Zie ook eek.

essiech, zn.: azijn. D. Essig, Ohd. eʒʒih, Mhd. eʒʒich uit een metathetische vorm Lat. atêcum, adêcum < Lat. acêtum ‘zure wijn, wijnazijn’ < acer, acidus ‘zuur’. Vgl. eek.

eek 1, eik, jeek, jek, ejeke, eteke, zn.: azijn. Door d-syncope uit Mnl. edec, Onl. mit etige, Vnnl. eeck oft edick ‘du vinaigre’ (Lambrecht), edick, etick ‘azijn’ (Kiliaan). Os. edik, Mnd. etik, Ohd. ezzih, D. Essig. Germ.* atîcu-, met sluiting van ê > i uit volkslat. *atecum, *adecum, door metathesis uit Lat. acêtum ‘azijn’, bij bn. acidus zuur’. Zie ook aatje 1. – Bibl.: L. van den Kerckhove, De namen van de azijn in de Zuidnederlandse dialecten. Leuvense Bijdragen 39, 114-124. – A. Weijnen, De benamingen van azijn in de Nederlandse dialecten. vmkva 1965, 326 e.v. – Weijnen 1975, 192-193.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

eek 1, zn.: azijn. Door d-syncope uit Mnl. edec, Onl. mit etige, Vnnl. eeck oft edick ‘du vinaigre’ (Lambrecht), edick, etick ‘azijn’ (Kiliaan). Os. edik, Mnd. etik, Ohd. ezzih, D. Essig. Germ.* atîcu-, met sluiting van ê > i uit volkslat. *atecum, *adecum, door metathesis uit Lat. acêtum ‘azijn’, bij bn. acidus zuur’. – Bibl.: l. van den kerckhove, De namen van de azijn in de Zuidnederlandse dialecten. Leuvense Bijdragen 39, 114-124. – a. weijnen, De benamingen van azijn in de Nederlandse dialecten. vmkva 1965, 326 e.v. – weijnen 1975, 192-193.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

eek zn.: azijn. Door d-syncope uit Mnl. edec, Onl. mit etige, Vnnl. eeck oft edick ‘du vinaigre’ (Lambrecht), edick, etick azijn’ (Kiliaan). Os. edik, Mnd. etik, Ohd. ezzih, D. Essig. Germ.* atîcu-, met sluiting van ê > i uit volkslat. *atecum, *adecum, door metathesis uit Lat. acêtum ‘azijn’, bij bn. acidus zuur’. – Bibl.: L. van den Kerckhove, De namen van de azijn in de Zuidnederlandse dialecten. Leuvense Bijdragen 39, 114-124. – A. Weijnen, De benamingen van azijn in de Nederlandse dialecten. VMKVA 1965, 326 e.v. – Weijnen 1975, 192-193.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1edik s.nw.
1. (verouderd) Asyn. 2. Iets om te drink wat baie bitter is, baie bitter vloeistof. 3. Iets wat die lewe vergal of bitter maak, iets wat iemand pynlik tref, iets wat moeilik is om te verduur.
In bet. 1 uit verouderde Ndl. (Bybeltaal) edik (Mnl. edic, edec). Bet. 2 en 3 het in Afr. self ontwikkel. In Afr. veral gebruiklik in die uitdr. gal en edik.
Mnl. edic ontstaan deur metatesis uit ouer ecid uit Latyn acetum 'asyn' (die c is as k uitgespreek), naas acer 'skerp'.
D. Essig, Eng. acid.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

aetsje, ätje azijn (Limburg). ‹ een op -e eindigende nevenvorm (vgl. dee. eddike ‘id.’) van onfrk. etig ‘id.’ (= hgd. essich ‘id.’), reeds in de Romeinse tijd « lat. *atēcum. met metathesis ‹ lat. acêtum ‘id.’
LB XXXIX 114-124, Jrb. Vla. Ac. 1965, 328-329.

èèk, eek azijn (Oost-Nederland). = nl. edik. Wschl. via het Romaans « lat. acetum. Er is metathesis van lat. c en t opgetreden.
Jrb. v.d. Vla. Ac. 1965, 326-332, Roukens krt. 58

essiech azijn (Zuidoost-Limburg). = hgd. essich (met metathesis) « lat. acetum ‘azijn’. Blijkens de overgang van ts een leenwoord van voor de Hoogduitse klankverschuiving (tussen 5e en 7e eeuw n. Chr.).
Roukens krt. 58.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

edik I: bitter, suur drank; Ndl. edik (Mnl. edic, deur metat. uit ouer ecid), baie vroeg ontln. a. Lat. acetum, “asyn”, naas acer, “skerp”, hou verb. m. Afr. asyn en atjar, m. Eng. acid en Hd. essig.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

eek (Oost-Nederlands) ‘azijn’ (Latijn acetum)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Edik, ook tot eek samengetrokken, mnl. edic, edec; go. akeits, uit lat. acidum; er heeft in het nederl. metathesis plaats gehad. Uit hetzelfde lat. woord kwam langs vervormingen in ’t later latijn of ofra. ons azijn (zie ald.). De samengetrokken vorm vindt men b.v. bij Vondel (3, 209): “Gebruyckt’er eeck en peper toe”.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Azijn komt van ’t Ofr. aisain, en dit van ’t Lat. acere, d.i. bijtend of zuur zijn. Hiervan bestond een Lat. vorm acetum = wijnazijn, dat vermoedelijk een wisselvorm atecum had, en hiervan werd in het Nederduitsch etik gevormd, dat in onze taal als edik overging. (Op de Veluwe spreekt men niet van azijn, maar nog steeds van eek = edik; vgl. Vondel: „Gebruijkt er eek en peper toe”.)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

edik ‘(gewestelijk) azijn’ -> Deens eddike ‘azijn’; Noors eddik ‘azijn’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds ättika ‘azijn’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins etikka ‘azijn’ ; Ests äädikas ‘azijn’ (uit Nederlands of Nederduits).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal