Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

edel - (hoogstaand, van hoge kwaliteit)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

edel bn. ‘hoogstaand, van hoge kwaliteit’
Onl. edel(e) ‘van hoge geboorte’ [ca. 1100; Will.]; mnl. eine magit edele ‘een hoogstaande vrouw’ [1201-25; CG II, Floyr.], edel ‘van aanzienlijke afkomst’ [1240; Bern.], dat edele anschin uan der urowen ‘het edele gelaat van de vrouwe’ [1265-70; CG II, Lut.K].
Afleiding van de pgm. wortel van → adel.
Os. eðili; ohd. edili; ofri. ethele; oe. æðel; < pgm. *aþlja- ‘edel’.
Naast de betekenis ‘van adellijke geboorte’ stond al in de Middeleeuwen een overdrachtelijke betekenis ‘voortreffelijk, hoogstaand’. Eerstgenoemde betekenis is inmiddels overgenomen door het jongere bn.adellijk, maar is ook terug te vinden in edelman/-vrouw. In andere samenstellingen heeft edel wel de overdrachtelijke betekenis.
edelsteen ‘kostbare steen’. Mnl. edel stein [1240; Bern.]. ♦ edelmetaal ‘niet aan corrosie onderhevig metaal’. Nnl. edelmetaal [1910; WNT reliek]. Ontleend aan Duits Edelmetall.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

edel* [adellijk] {1201-1225} oudsaksisch ethili, oudhoogduits edili, oudfries ethele; verwant met adel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

edel bnw., mnl. ēdel, os. ethili, ohd. edili (nhd. edel), ofri. ethele, edele, oe. æðele ‘adellijk, voornaam’. — Grondvorm westgerm. *aþilja, afl. van *aþala, waarvoor zie: adel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

edel bnw., mnl. ēdel. = ohd. edili (nhd. edel), os. ethili, ofri. ethele, edele, ags. æðele “adellijk, voornaam”, oerwgerm. *aþilja- (waarnaast misschien -ulja-, -alja-); afl. van *aþala-; zie adel, waar ook substantief-vormen van den stam *aþalja- genoemd zijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

adel. Het is wellicht beter os. athali te vertalen met ‘voornaam geslacht”. Opmerking verdient, dat os. athali o. en ags. æðelu o. mv. ia-stammen zijn naast ohd. adal, on. aðal o., die op *aþala- wijzen. Uit het Got. moge de oostgot. persoonsnaam Athalaricus (got. *Aþala-reiks) worden vermeld.
Met het oog op samenstt. als mnl. ādelsōne, ādelkint (Handwb. nog enkele andere) drukt v.Wijk zich in de aanvulling op het artikel adel wat voorzichtiger uit omtrent de ouderdom van het woord in de Nederlanden. Zulke woorden, die of (zuid-)oostelijk of (blijkens uitsluitende vermelding in het Handwb.) laat voorkomen, behoeven ons geen aanleiding te geven de in het art. uitgesproken mening omtrent de ontl. van het woord uit het Duits te wijzigen, temeer daar de samenst. vóór het simplex (in het Mhd. komen de meeste der mnl. samenstt. voor) kan zijn ingedrongen.
Alfons moet geschrapt worden (v.Wijk Aanv.). Over Aleid zie nog bij adelborst Suppl.
Van de vṛddhi-afll. is ofri. êthel, êdel zowel m. als o.
Neckel PBB. 41, 385 vlgg. gaat voor *aþala- uit van de bet. ‘erfelijk grondbezit’. De germaanse ‘nobiles’ zouden dan oorspronkelijk niet anders dan ‘erfelijke grondbezitters’ zijn geweest. Met de schaarse gegevens is over de juistheid van deze hypothese moeilijk te oordelen. In ieder geval is het zeer wel denkbaar, dat de bett. ‘afstamming, geslacht, aard’ uit de genoemde grondbet. zijn ontwikkeld (vgl. aard I). Bij deze opvatting zal on. ø̂ðri ‘beter, voornamer’ niet verwant kunnen zijn. De door v.Wijk weifelend voorgestelde combinatie met ier. aite ‘pleegvader’, lat. atta, gr. átta ‘vadertje’ enz. blijft mogelijk, maar is wegens het duidelijk “lallwort”-karakter dier woorden niet aan te raden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

edel bijv., Mnl. id., Os. ethili + Ohd. edili (Mhd. en Nhd. edel), Ags. æđele, Ofri. ethele, met e = ä van adel.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

edel ‘nobel’ (bet. van Frans gentil)
edel- (Duits Edel-)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Adel is oorspr.: vaderen, geslacht, voorgeslacht (in ’t Got. is atta = vader). Slechts de voornámen, de aanzienlijken hadden oudtijds een geslacht, een afstamming, een lijst van vaderen, een stamboom. Zoo verkreeg adel de bet. van: edele, voorname afkomst en als verzamelnaam: al de edelen. Adelborst is oorpr. edele borst (zie Borst).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

edel ‘adellijk’ -> Deens ædel ‘van goede kwaliteit, echt, adellijk’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors edel ‘adellijk, voornaam, voortreffelijk’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds ädel ‘adellijk’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

edel* adellijk 1100 [Willeram]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut