Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ecosysteem - (het functionele geheel van een levensgemeenschap)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ecologie zn. ‘wetenschap van wisselwerking tussen organisme en omgeving’
Nnl. oekologie ‘id.’ [1938; Essen], oecologie ‘id.’ [1947; WNT Aanv.], ecologie ‘id.’ [1953; Huizinga].
Internationaal begrip uit Duits Ökologie ‘id.’, gevormd door de Duitse bioloog Ernst Heinrich Haeckel (1834-1919) uit Grieks oĩkos ‘woning’ en het voor wetenschapsnamen gebruikelijke achtervoegsel → -logie.
Er bestaan twee spellingvarianten van dit woord en zijn afleidingen. Aanvankelijk hadden de vormen met oeco- de overhand, onder invloed van het Duits, waaruit het begrip afkomstig was. De spelling met eco- [1946; WNT Aanv. ecoloog] wordt in de tweede helft van de 20e eeuw steeds meer gebruikt en is inmiddels de enig gangbare, onder invloed van de Engelse spelling met eco-, en naar analogie van het woord economie, dat immers op hetzelfde Griekse oĩkos is gebaseerd.
In de jaren 1950 kwam de sociale ecologie in de belangstelling te staan, ofwel de invloed van de mens op zijn eigen leefomgeving, wat leidde tot een algeheel milieubewustzijn in de westerse wereld.
ecologisch bn. ‘de ecologie betreffend’. Nnl. Het oecologisch verband tussen bodem en flora en fauna [1939; WNT Aanv.]. Sinds de tweede helft van de 20e eeuw is dit woord vooral ‘goed voor het natuurlijke milieu’ [1982; Reinsma 1984] gaan inhouden, misschien mede onder invloed van economisch ‘goed voor de portemonnee’. Van daaruit heeft zich een zeer productief voorvoegsel eco- ‘goed voor het milieu’ ontwikkeld, wellicht naar analogie van → bio- uit biologisch; bijv. ecopartij ‘politieke partij met ecologische doelstellingen’ [1985; Coster 1999], ecosigaret ‘milieuvriendelijke sigaret’ [1993; Coster 1999], ecodrugs ‘natuurlijk geproduceerde drugs’ [1997; Coster 1999]. De oudere betekenis ziet men nog in ecosysteem ‘onderscheidbare biotoop met de daarin thuishorende leefgemeenschap’ [1981; Coster 1999]. ♦ ecoloog zn. ‘beoefenaar van de ecologie’. Nnl. ecoloog [1946; WNT Aanv.]. Gevormd uit ecologie naar het model van andere woordparen op -logie/-loog, zoals biologie/bioloog.
Lit.: Nierop 1975, 60-61

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ecosysteem [het functionele geheel van een levensgemeenschap] {na 1950} voor het eerste lid vgl. economie.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ecosysteem ‘het functionele geheel van een levensgemeenschap’ -> Indonesisch ékosistém ‘het functionele geheel van een levensgemeenschap’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ecosysteem het functionele geheel van een levensgemeenschap 1970 [Recht voor raap]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

ecosysteem, zie eerste en tweede citaat.

Ecosysteem: het geheel van op elkaar betrokken levende organismen dat op basis van het levenloze milieu functioneert. (Keesings Woordenboek voor natuur en milieu, 1981)
Ecosysteem. Duidelijk onderscheidbare eenheid in de biosfeer, bijv. een bos, plas, heide, weiland of rivier (‘biotoop’) mèt de daarin thuishorende planten en dieren (de ‘levensgemeenschap’ of ‘biocoenose’). Het is een zelfregulerend systeem dat in stand wordt gehouden door allerlei wisselwerkingen tussen abiotische (niet-levende) en biotische (levende) factoren. (drs. René Heijnis: Prisma van het milieu, 1990)
Zo is het mogelijk dat het gereorganiseerde stedelijke eco-systeem zelf meer en meer de belichaming is geworden van die angstcultuur. (René Boomkens: De Angstmachine, 1996)
Barry Lopez noemt in zijn boek de noordpool een ‘inherent kwetsbaar ecosysteem’. (Elsevier, 26/04/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut