Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

economisch - (zuinig, spaarzaam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

economie zn. ‘huishoudkunde’
Vnnl. in des Oeconomi volck ‘het huishoudelijk personeel’ [1572; WNT uitkeren], oeconomi quartier ‘huishoud-afdeling’ [1641; WNT slachthuis], oeconomie ‘huishouding’ [1650; Hofman] en [1665; WNT Supp. artillerie]; nnl. œconomie ‘spaarzaamheid’ [1754; WNT loopend], economie “huishoudkunde, huishoudelykheid, goed overleg, spaarzaamheid” [1805; Meijer], economie ‘staatshuishoudkunde’ [1854; WNT wet I], ‘staatshuishouding’ [1875; WNT vormleer]. De oudste spelling met eco- geeft het WNT in 1793.
Ontleend aan Latijn oeconomia ‘organisatie, huishouding’ < Grieks oikonomíā ‘id.’, samengesteld uit oĩkos ‘woning’ en een afleiding van nómos ‘regel, wet’, zie → -nomie. De betekenisontwikkeling en de huidige vorm zijn beïnvloed door Frans économie ‘goed beheer van een huishouding’ [1546; Rey], waaruit ‘spaarzaamheid’ [16e eeuw; Rey], daarna ‘kunst, wetenschap van de staatshuishouding’ [17e eeuw; Rey].
De betekenis ‘huishouding’ is in het Nederlands de oudste, maar wordt na de 17e eeuw nauwelijks meer gebruikt. De belangrijkste betekenis is dan, onder invloed van het Frans, ‘spaarzaamheid’. Halverwege de 19e eeuw wordt de dan gebruikelijke Franse betekenis ‘wetenschap der (staats)huishouding’ overgenomen. Tegelijkertijd raakt de spelling met oe- in onbruik, evenals de oudere betekenis, die we nu alleen nog terugvinden in het bn. economisch (o.a.) ‘spaarzaam’. Eind 19e eeuw breidt de betekenis zich uit naar het studieobject zelf, de ‘staatshuishouding’. Beide betekenissen bestaan nu naast elkaar.
economisch bn. ‘de economie betreffend; spaarzaam’. Nnl. ‘huishoudelijk (betreffende een hofhuishouding)’ in het opzicht over Oeconomische en andere dingen [1770; WNT intendant], ‘spaarzaam’ (bw.) [1787; WNT], vgl. een huishoudelijk of oeconomisch Journaal [1790; WNT journaal], de Oeconomische Tak van de Hollandsche Maatschappye der Weetenschappen te Haarlem (een nationale beweging tot herstel van de nijverheid en tot oplossing van het armoedevraagstuk) [1779; WNT tak], ‘staatshuishoudkundig’ in de oeconomische wetenschappen [1815; WNT latijnsch], ‘betreffende de staatshuishouding’ in omtrent Java's oeconomischen toestand [1875; WNT resultante]. Regelmatige afleiding van het zn. oeconomie. Het 18e-eeuwse oeconomisch ‘huishoudelijk’ had al een macro-economische betekenis en betrof niet zozeer een huishouding in de letterlijke zin. Het woord sloot in de 19e eeuw dan ook naadloos aan op het nieuwe begrip economie en de spelling met oe- blijft nog tot in de eerste helft van de 20e eeuw frequent. ♦ econoom zn. ‘kenner van de economie’. Vnnl. Oeconomus ‘beheerder over een huishouden’ [1591; WNT regent], econoom ‘kenner van de economie’ [1864; WNT]. De moderne vorm is gevormd uit economie, zoals ook andere aanduidingen van wetenschappers door weglating van de -ie gevormd worden uit termen op -nomie, -logie etc. Dezelfde betekenis had het concurrerende maar inmiddels niet meer gangbare woord economist [1827; WNT Aanv.] < Frans économiste ‘id.’ [1802; Rey]. De oude betekenis is nog te vinden in de econoom van een abdij of ander religieus huis, die belast is met de huishouding.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

economisch ‘zuinig, spaarzaam’ -> Indonesisch ékonomis ‘zuinig, spaarzaam’; Menadonees ékonomis ‘zuinig, spaarzaam’.

Dateringen of neologismen

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

economische vluchteling; — migrant (← Eng. economic refugee), vluchteling die zijn land, vaak in de Derde Wereld, verlaat omwille van economische motieven: om een beter bestaan op te bouwen in een (rijker) westers land. Hij onderscheidt zich daarmee van de politieke vluchteling.

Behalve de 150 dollar die ze krijgen als ze het vliegtuig terug nemen, ontvangen de vrijwillig huiswaarts gekeerde Vietnemese ‘economische migranten’ in het eerste jaar van hun verblijf 30 dollar per maand ‘om de herintegratie te bevorderen’, zegt Imran Riza, het Pakistaanse hoofd van de UNHCR in Ho Chi Minhstad. (Elsevier, 18/04/92)
Het is moeilijk om Joegoslavische vluchtelingen blij en lief te verwelkomen en tegelijk van de Somaliërs te beweren dat ze ‘alleen maar’ economische vluchtelingen, en dus berekenende parasieten zijn. (Vrij Ned., 19/09/92)
Economische vluchtelingen: benaming voor hen die niet zouden zijn gevlucht om politieke redenen, maar om een betere levensstandaard te vinden. Vaak gebezigd als afkeurende term in de zin van ‘niet-echte’ vluchtelingen. In de praktijk blijkt het onderscheid tussen politieke vluchtelingen (in de zin van het Vluchtelingenverdrag) en economische vluchtelingen moeilijk te maken. Het vluchtmotief is vaak een combinatie van politiek geweld en moeilijke levensomstandigheden. (Prisma van de mensenrechten, 1992)
Het is oud beleid in aangescherpte vorm dat het in het bijzonder voor ‘economische’ vluchtelingen een stuk moeilijker maakt het land binnen te komen. (Elsevier, 21/12/96)
Hij had misschien zelfs een verblijfsvergunning op grond van de status ‘economisch vluchteling’ kunnen krijgen (de zogenaamde B-status), de weg die de meeste Ghanezen bewandelden. (HP/De Tijd, 13/06/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut