Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

echt - (werkelijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

echt 1 bn. ‘werkelijk, onvervalst’
Onl. echt, eft ‘wettig’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. echt ‘wettig, door huwelijk verbonden’ [midden 13e eeuw; Toll.], ‘waarlijk, waarachtig’ [1265-70; CG II, Lut.K]; vnnl. echt ‘onvervalst, werkelijk, ongeveinsd’ [17e eeuw; WNT]. Het eerste lid van de oorspr. samenstelling is het zn. onl. ēwa ‘wet, huwelijk’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. ewe, ehe, ee ‘id.’.
Zeer oude samenstelling uit een eerste lid dat correspondeert met → eeuw, en het achtervoegsel -haft ‘in overeenstemming met’, zie → -achtig. Hieruit ontstond klankwettig ēhacht. Door samentrekking werd dit tot echt.
Deze samenstelling pgm. *aiwō-hafta- heeft ook in de andere Germaanse talen haar sporen, maar in de meeste gevallen is daar later een ander, al dan niet via het Nederduits, aan het Nederlands ontleend woord voor in de plaats gekomen: os. ēhaft ‘wettig’; ohd. ēhaft ‘rechtvaardig, heilig’; ofri. aft; maar: mnd. echte ‘wettig, door huwelijk verbonden’ < mnl.; nde. egte, nzw. äkta < mnd.; nhd. echt (< mnd.); nfri. echt naast eft.
De oorspr. betekenis ‘in overeenstemming met het gebruik, de wet’ bestaat nog in het bn. onecht, in het bijzonder in de uitdrukking een onecht kind ‘buiten een huwelijk geboren kind’. Het eerste lid ee of ewe van de samenstelling ehaft bestond in het Middelnederlands in twee hoofdbetekenissen ‘eeuwigheid’ en ‘wet, huwelijk’. Een samenstelling met dit woord is → eega.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

echt2* [werkelijk] {901-1000 in de betekenis ‘wettig, door het huwelijk verbonden’} ontstaan uit een grondvorm als oudsaksisch, oudhoogduits ehaft [wettig], van middelnederlands ewe [wet, huwelijk], oudnederlands, oudsaksisch, oudhoogduits ewa, fries ewe + een achtervoegsel -achtig > -haft, nederlands -achtig.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

echt

Wij moeten uitgaan van het woord ee, dat oorspronkelijk: wet betekende en daarna speciaal: huwelijkswet en: huwelijk. Het leeft nog voort in het deftige woord ega voor echtgenoot. Het bijvoeglijk naamwoord bij dit woord ee is eehaft en daaruit is echt ontstaan. Deze overgang lijkt vreemd, maar dat de tweede lettergreep van een woord meer en meer van klank verzwakt en tenslotte verdwijnt, komt meer voor. Laars is ontstaan uit lederhose en oom uit oheim. Het bijvoeglijk naamwoord echt betekent: wettig, in het bijzonder van de huwelijksverbinding. Vandaar het woord echtgenoot. Vroeger sprak men van zijn huwelijkspartner ook als: mijn echte deel: dus: mijn wettelijke deelgenoot in het huwelijk. Men kent ook: een kind echten.

Uit deze betekenis vloeit een nieuwe voort. Echt wordt gelijkgesteld met: niet vervalst, niet voorgewend, waar, betrouwbaar, werkelijk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

echt 1 bnw., mnl. echt ‘wettig in de echt verbonden, wettelijk’, mnd. echt, echte ‘wettig, echtelijk’, dan ook ‘onvervalst, echt’ (> nhd. echt, de. egte, zw. äkta), ofri. ǎfte, ěfte ‘wettig, echtelijk’. — Samengetrokken uit ēhaft, vgl. os. ēhaft, echt ‘wettig’, ohd. mhd. ēhaft. — Terwijl het 2de lid -haft onder -achtig behandeld is, behoort het 1ste lid ē- tot de volgende groep: mnd. êwe, ee v. ‘wet, huwelijk’, onfrank. ēwa’wet’, os. ēo m., ēwa v. ‘wet’, ohd. ēwa ‘wet, huwelijk’ (nhd. ehe), ofri. ēwe ‘wet’ (in samenstellingen ook ā-, ē-), oe. œ, œw ‘wet, huwelijk’.

Oudste betekenis is ‘rechts- of cultusgebruik’ (Weisweiler, Festschr. Streitberg 1924, 442 vlgg.). De etymologie is niet zeker. Indien men w < gw verklaart, kan men vergelijken met lat. aequus ‘effen, gelijk, billijk’, maar komt dan tot een wel wat bleke grondbetekenis voor dit ongetwijfeld centrale germ. begrip. — Neemt men echter als grondbetekenis aan ‘eeuwig geldend recht’, wat uit het sacrale karakter zou kunnen voortvloeien, dan staat het in verband met eeuw (zo. Weisweiler t.a.p. en Mincoff AfdA 53, 1934. 232). — Vgl. ook het nu verouderde ee ‘wet, regel; huwelijk’, waarvoor zie: eegade.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

echt I bnw., mnl. echt “wettig, in den echt verbonden, wettelijk”. Langs eenige tusschenvormen uit *êhaft (voor den wegval van h en verdere ontwikkeling vgl. oom) = ohd. mhd. êhaft, os. êhaft, ē̆cht “wettig”, mnd. echt(e) “wettig, echtelijk”, later ook “onvervalscht, echt” (hieruit nhd. echt), ofri. ā̆fte, ē̆fte “wettig, echtelijk”. Dit du.-ndl.-fri. bnw. bestaat uit ê + haft. Voor -haft vgl. -achtig, ê = mnl. êwe, ee v. “wet, huwelijk”, onfr. êwa v. “wet”, ohd. êwa v. “wet, huwelijk” (nhd. ehe), os. êo m., êwa v. “wet”, ofri. êwe v. (in samenst. ook â-, ê-) “wet”, ags. æ̂, æ̂w v. “wet, huwelijk”; wsch. met w < ʒw bij lat. aequus “effen, gelijk, billijk”, misschien verder hierbij ier. echta “rein, zuiver” (van zilver gebruikt), lit. aiksztus “vlak, wijd, ruim”, ikì, ìk “tot”. Volgens anderen zou germ. *aiwa-, (n)- met oi. éva- “gang, weg, manier van doen” bij den wortel ei-, i- “gaan” (zie bij arbeid) hooren. Niet verwant is eeuw. Vgl. eegade.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

echt I bnw. ‘Germ. *aiwa-, (n-)’; ook *aiwi- in ags. æ̂, æ̂w.
De betekenisontwikkeling van dit germ. woord is beschreven door Weisweiler Stand u. Aufgaben der Sprwssch. (Festschrift f. Streitberg) 442 vlgg. De oudste daar bereikte bet. ‘rechts- of cultusgebruik’ sluit de verbinding met lat. aequus enz. niet zo volstrekt uit als Weisweiler 458 wil. Anderzijds is de door W. (en Mincoff AfdA. 53, 232) aangenomen verwantschap met eeuw (waarbij ohd. êha naast êwa minder gemakkelijk te verklaren is) hiermee ook nog geenszins bewezen, al mag deze niet zo kategorisch worden afgewezen als in het art. geschiedt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

echt 2 bijv.(wettig), Mnl. id., Os. êhaft + Mhd. êhafte (Nhd. echt), Ofri. âft, afgeleid met suff. -haft (z.d.w.) van een nw. *ee = wet, Mnl. ee, ewe, Onfra. êwa + Ohd. êwa (Nhd. ehe), Ofri. éwe, Ags. æ’, æ’w + Lat. aequus = gelijk, Oier. echta = rein.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

ech (bn.) echt, onvervalst; Aajdnederlands echt <901-1000>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

eg III: “onvervals, outentiek”; Ndl echt (Mnl. echt), Hd. echt, redukv. v. Os. ēhaft, wsk. verb. m. Hd. ehe, “huwelik; wet”; vgl. eg II.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

echte Onlangs gehoord in Rotterdam. Het gaat hier om een stevige, straffe borrel. ‘Echte mannen drinken een echte borrel’, schreef een informant, niet zonder zelfspot. In de Verenigde Staten werd omstreeks 1928 sterke drank die voor de drooglegging was geproduceerd real goods genoemd.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Echt (niet valsch), bet. oorspr. wettig; het was in het Middelhoogd. e-haft, waarin ee ons wet (zie Eeuw), maar ook huwelijk bet. (als voor de wet gesloten), vgl.: „Een weynig na twee jaren in ons ee.” Eeman = getrouwd man; Eestandt = huwelijksche staat. Dit e-haft, dat dus wet-hebbende, kracht van wet-hebbende, bet., werd eft, en dit weer echt. (De overgang ƒ in ch was zeer gewoon: graft en gracht, enz.) Het z.n.w. echt in de bet. van huwelijk zal dan wel een verkorting zijn van echte staat (huwelijksche staat); vgl. echte-lieden = gehuwde lieden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

echt ‘wettig, werkelijk’ -> Duits echt ‘wettig’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens ægte ‘werkelijk’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors ekte ‘werkelijk’; Zweeds äkta ‘wettig, werkelijk’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests ehtne ‘wettig, werkelijk’ (uit Nederlands of Nederduits); Petjoh echt, echies ‘echt, serieus’; Papiaments echt ‘werkelijk’; Sranantongo èkte ‘werkelijk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

echt* wettig, werkelijk 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1579. Iets voor goede (of gangbare) munt opnemen (of aannemen),

In eigenlijken zin het geld, dat men ontvangt voor echt, niet valsch of voor gangbaar houden, en vandaar bij overdracht: gelooven wat iemand zegt; iets in ernst opvatten; hd. etwas für bare Münze nehmen; fr. prendre qqch. pour argent comptant. In de 17de eeuw vrij gewoon; zie het Ndl. Wdb. IV, 238; IX, 1239; 1240; Huygens IV, 201; verder Van Effen, Spect. IX, 138; XII, 61; 167; C. Wildsch. III, 81; 246; IV, 192; Slop, 187: Hij wist niet of hij die woorden als goede munt moest bewaren of er om lachen; Villiers, 84: Hy neem alles vir goeie munt aan; vgl. het syn. iets voor contant nemen (17de eeuw); iets voor gereed (of goed geld) opnemen; iemand iets voor gladde (of echte) munt in de hand stoppen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut