Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

eb - (aflopend tij, laag water)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

eb zn. ‘aflopend tij, laag water’
Mnl. ebbe ‘id.’ [1351-75; MNW].
Os. (met achtervoegsel) ebbiunga (mnd. ebbe > nhd. ebbe, nzw. ebb); ofri. ebba; oe. ebba; met umlaut ontwikkeld uit pgm. *abjōn- ‘eb’, een afleiding van het bw. *aba, zie → af. Een Noord-Germaans cognaat, met andere betekenis, is on. efja ‘tegenstroom in een rivier’ (nzw. ävja ‘modder’). Voor ‘eb’ heeft het Oudnoords een ander woord, fjara (nu alleen nog Noors fjære), verwant met → varen 2.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

eb*, ebbe [het aflopen van de zee] {ebbe 1351-1375} middelnederduits ebbe, oudfries, oudengels ebba [eb, laag tij], oudnoors efja [modder, moeras]; van de stam van af.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

eb, ebbe znw. v., mnl. ebbe, v. mnd. ebbe v. (> nhd. ebbe, zw. ebb), ofri. ebba m., oe. ebba m. (ne. ebb), on. efja v. ‘tegenstroom in een rivier, rivierbocht’. Het woord betekent eig. ‘het terugstromen’. — gr. ápios ‘afgelegen, ver’ (IEW 54). — zie: af.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

eb, ebbe znw., mnl. ebbe v. = mnd. ebbe v. (waaruit nhd. de. ebbe, zw. ebb), (os. ebbiunga v.), ofri. ebba m., ags. ebba m. (eng. ebb) “eb”, on. efja v. “slijkbodem, bocht in een rivier”, germ. *aƀjan-, -ôn-. Afl. van het bijw. af: “het afvloeien(de)”. Got. ibuks “achteruit” is niet verwant. Het Ngerm. bezit van ouds voor “eb” een geheel ander woord: on. fjara v., waarbij de ww. fjara, fyrva “ebben”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

eb, ebbe v., Mnl. ebbe + Ags. ebba (Eng. ebb), Ofri. ebba: nergens elders; wellicht een afleid. van af, met e = ä en bb = ƀj. Hgd. ebbe, De. id., Zw. ebb, uit het Ndl. of Ndd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

eb s.nw.
1. Stadium van 'n gety tussen hoog- en laagwater wanneer die see aan die sak is. 2. Tydperk of toestand van agteruitgang of verval.
Uit Ndl. eb (Mnl. ebbe).
Ndl. eb gaan terug op 'n Germ. woord met die bet. 'afvloeiende water, stroom wat terugvloei'.
D. Ebbe, Eng. ebb.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Eb(be), mnl. ebbe, getij, gedurende hetwelk het water aan de kust en de monden der rivieren afneemt. Afgeleid van af; umlaut en verdubbeling van de oorspr. b en daardoor bewaard blijven van den medeklinker zijn veroorzaakt door een j. Hhd. Ebbe, ofri. ebba, ags. ebba, eng. ebb. Verg. ons hebben, go. haban.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

eb ‘het aflopen van de zee’ -> Deens ebbe ‘het aflopen van de zee’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Noors ebbe ‘het aflopen van de zee’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds ebb ‘regelmatige aflopen van de zee, onder invloed van de maan’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans † ebbe ‘het aflopen van de zee’; Berbice-Nederlands hebe ‘het aflopen van de zee’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

eb* het aflopen van de zee 1351-1375 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut