Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dwerg - (klein persoon)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dwerg zn. ‘klein persoon’
Mnl. dwerch ‘monster, gedrocht, dwerg’ in ende volhden di sporen vanden dwerch ‘en volgden de sporen van de dwerg’ [ca. 1325; MNW]; nnl. dwerg ‘klein persoon’ in Goliath, die 't dwerghjen hiel voor nar [1620; WNT].
De verwantschap buiten het Germaans is onduidelijk.
Ohd. twerg (nhd. Zwerg); ofri. dwerch (nfri. dwerch); oe. dweorg (ne. dwarf); on. dvergr (nijsl. dvergur, nzw. dvärg); < pgm. *dwerga- ‘dwerg’.
Men heeft het woord in verband gebracht (met metathese) met de wortel pie. *dhreugh- ‘bedriegen’ (IEW 276), dus eigenlijk iets als ‘bedrieger, drogwezen’, maar dat lijkt dubieus. Een wortel *dhuar- ‘buigen’ die ook wordt genoemd is niet pie.
Lit.: C. Lecouteux (1988) Les nains et les elfes au moyen âge, Parijs, 94-96

EWN: dwerg zn. 'klein persoon' (ca. 1325)
ANTEDATERING: Daer eist dat die dwerghe in sijn 'daar is het dat er dwergen zijn' [1300-25; MNW-R, Spiegel historiael (Eerste Partie)]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dwerg* [onnatuurlijk klein mens] {dwerch, dworch [monster (ook reus), dwerg] 1301-1400} oudsaksisch dwerg, oudhoogduits twerg, oudfries dwirg, oudengels dweorg, oudnoors dvergr [dwerg, ook: kleine steunbalk], mogelijk verwant met oudindisch dhvaras- [demon].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dwerg znw. m., mnl. dwerch ‘gedrocht, dwerg’, os. dwerg, gi-dwerg, ohd. twerg (nhd. zwerg), ofri. dwirg, oe. dweorg (ne. dwarf), on. dvergr ‘dwerg’ (daarnaast vr. dyrgja ‘dwergin’).

De etymologie is onzeker. Men verbindt gewoonlijk met oi. dhvaras ‘demonisch wezen’ (IEW 279), maar daarbij blijft te zeer buiten beschouwing, dat on. dvergr ook ‘korte dakbalk’ en ‘klerenspeld’ betekent. Dat spreekt ook tegen Krogmann KZ 62, 1935, 143, die aan verband met av. drva ‘lichaamsgebrek’ en lett. drugt ‘ineenzakken’ denkt. — Het is mogelijk, dat dit zo typisch germ. woord uit een substraattaal afkomstig is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dwerg znw., mnl. dwerch (gh) m. “gedrocht, dwerg” (gebruikelijker is naen) — ohd. twërg m. (nhd. zwerg), os. dwërg (gi-dwërg o.), ofri. dwirg, ags. dweorg (eng. dwarf), on. dvërgr m. “dwerg”. Met ablaut on. dyrgja v. “vrouwelijke dwerg”. Vermoedelijk verwant met oi. dhvárati, dhū́rvati “hij misleidt, brengt ten val”, dhvarás- “demon”. Naast idg. dhwer-, dhûr- ook dhru- in het oi. deelwoord dhruta-. Dhwer- : dhrū̆- zijn oude wisselvormen; bij dhrū̆- sluit zich bedriegen aan. Minder wsch. is dwerg gecombineerd met ier. dergnat “vloo”, gr. sérphos “mug” (idg. gh).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dwerg. Oi. dhvárati, dhū́rvati lees: dhvarati, dhū́rvati.
Niet beter dan de hier gegeven etymologie is de combinatie (van Bartholomae IF. 12, 131 Anm.) met av. drva- ( = druγva-) ‘een niet nader te bepalen lichaamsgebrek’, waarbij Krogmann KZ. 62, 143 nog lett. drugt ‘ineenzakken, verminderen’ voegt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dwerg m., Mnl. dwerch, Os. dwerg + Ohd. twerg (Mhd. twerc, Nhd. zwerg), Ags. dweorg (Eng. dwarf), On. dvergr (Zw. dvärg, De. dverg) + Skr. dhvaras = booze geest, dhûrvati = misleiden, verwant met (be)driegen.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

dwerg: klein persoon; hummel. Eigenlijk een fabelachtig wezen in de gedaante van een klein, oud en meestal lelijk mannetje. Vondel gebruikte het woord al rond 1620 voor iemand die klein van gestalte is.

Büch, dat was een mislukte dwerg, die gestikt is in zijn eigen theater. Een karikatuur, die het liefst de meest waardeloze spullen zijn rommelhok in sjouwde. (Joop Schafthuizen in HP/De Tijd, 09/07/2004)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dwerg* onnatuurlijk klein mens 1301-1400 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut